Op papier schreeuwen

Nu mijn eigen schrijven overhoop ligt, lees ik veel autobiografische verhalen, memoires en non-fictieboeken over persoonlijke gebeurtenissen uit het leven van schrijvers. De scheidingen van respectievelijk Elke Geurts en Henk van Straten; de bijna-dood ervaringen van Maggie O’Farrell; de onzalige jeugd van Jeannette Winterson; de keelkanker van Willem Melchior of de migraine van Mariëtte Baarda; de rouw van Julian Barnes en C.S. Lewis: ik slik het allemaal. Ook Ariel Levy moet er weer aan geloven.
Waar ik nieuwsgierig naar ben, natuurlijk, is de aanpak. Hoe maak je het extreem particuliere interessant voor lezers die niet bekend zijn met jouw specifieke pijn?

Waarom zou iemand over de relatieproblemen van Ariel Levy willen lezen, over die keer dat Maggie O’Farrell bijna verdronk? Sommige verhalen zijn bijna te intiem: alsof je door een raam naar binnen gluurt en ontdekt dat daar iemand niet alleen bloot is, maar zichzelf ook nog eens bevredigt. Ja, sommige boeken lezen als het gadeslaan van andermans masturbatie. Andere schrijvers gebruiken kunstgrepen als overbrugging, bewaren afstand door citaten, stutten het persoonlijke met de universele ervaring. Voor iedere methode valt wat te zeggen. Als schrijver zoek ik antwoord op technische vragen, maar bovenal wil ik weten hoe deze of gene eruit is gekomen. Waaruit? Dat verschilt per boek. Waarschijnlijk zoek ik naar geruststelling – ah kijk, niemand ging eraan onderdoor. Waaraan? Ook dat verschilt per boek.

Eerder kreeg ik de kans Levy te ontmoeten en deinsde ik terug. Liever leer ik de schrijvers die ik bewonder niet anders kennen dan door wat ze maken, door wat zij aan de wereld willen laten zien. Het is niet de schok van de herkenning die ik vrees, alsof hun menselijkheid afbreuk zou doen aan hun werk, het is – ik weet niet wat het is. Ja, in het geval van Levy weet ik het wel: taal. Ik spreek prima Engels maar tegen de tijd dat ik de knop heb gevonden denkt mijn omgeving al dat ik niet wijs ben. Ik ben alleen verlegen in andere talen. En dan nog, wat zou ik vragen of zeggen? Ik ook, Ariel, ik ook? Wat moet iemand met zo’n emotionele gijzeling van een onbekende?
Dat is ook een keerzijde van het persoonlijke: de reacties. Dat mensen met je aan de haal gaan, zich aan je vastklampen met hun hele zelf, letterlijk en figuurlijk, tijdens signeersessies of interviews, in emails of wat dan ook, of je dat nu aankunt of niet. 

En toch. Bovenstaande schrijvers moeten ieder risico, elk potentieel verwijt (navelstaarderij, gemakzucht, aandachtsgeilheid, larmoyant gedoe) hebben gekend. Het hield ze niet tegen, de nood was zo hoog dat fictie niet volstond. Dat snap ik – soms schreeuw je het hardst op papier. Literatuur maken van die schreeuw, dat is de uitdaging.
Ook in mij zit een kreet, woordloos nog. Hoe en wanneer die op papier komt, weet ik niet, of ik hem wil delen evenmin. Dus doe ik wat ik altijd heb gedaan: lezen. Daarmee heel ik. Uiteindelijk vind ik een vorm voor mijn eigen geluid. 

 


Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

Meer van Marijn Sikken: