Op avontuur met de beste dichters van 2017

Recensie door André van Dijk

Het voelt wat vreemd, een architect als samensteller van een bundel waarin een selectie van de gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2017 is opgenomen. Maar waarom zou een architect niet met poëzie verbonden kunnen worden? Is een gedicht niet, net zoals een bouwwerk, ook een stapeling van elementen? Een ruimtelijke samenstelling van onderdelen die in hun verscheidenheid toch een eenheid vormen? Een onderkomen voor de menselijke verbeelding? Daar zou met gemak een fraaie en romantische vergelijking over geschreven kunnen worden, maar kennelijk niet door Francine Houben, één van Nederlands bekendste architecten. In haar voorwoord komt deze juryvoorzitter niet veel verder dan haar medejuryleden te bedanken en vast te stellen dat in architectuur, zowel als in poëzie, alle zintuigen worden beroerd: ‘Als het goed in elkaar zit voel je emotie’. Daarnaast stipt ze wat gemeenplaatsen uit haar geliefde Rotterdam aan: Jules Deelder op de vuilniswagens, Ramsey Nasr op de luchtsingel en Lucebert op een flatgebouw. Iets meer bevlogenheid zou je van een artistiek vertegenwoordiger uit de hoogste regionen van de vaderlandse cultuur wel mogen verwachten. Gelukkig bestond de jury ook uit enkele zwaargewichten uit de literaire wereld zoals Rozalie Hirs en Ilja Leonard Pfeijffer.

Bladerend door de bundel valt direct de grote diversiteit aan gedichten in het oog. Het Nederlandstalige dichterschap wordt naar hartelust beoefend en levert bijzondere poëzie op. De genomineerden voor de VSB-prijs zijn goed vertegenwoordigd: de scherpe actualiteit van Rodaan Al Galidi, het zelfonderzoek van winnares Hannah van Binsbergen, de speurende evolutie van Ruth Lasters, de beheerste hysterie van Delphine Lecompte en de verbeten moraal van Nachoem M. Wijnberg. Een uitstekende afspiegeling van de stand van zaken in de dichtkunst.

Dat afgevinkt hebbende is het een verrassend avontuur om de rest van deze editie door te spitten. Vooral waar dichters hun woorden toetsen aan een werkelijkheid die niet binnen handbereik ligt, het doorlopend najagen van kronkelende gedachten die in hun uiteindelijke vorm tot een indringend gedicht leiden. Nog mooier wordt het als de dichter zichzelf op de hak neemt, de vileine zelfspot die zo nu en dan onontbeerlijk is in de verheven woordenbrij (‘De poëzie uitlachen: dat is pas poëzie!’ zoals Erik Spinoy in een van zijn gedichten laat weten). Dan valt direct de bijdrage van Menno Wigman in het oog, zijn ontnuchterende ‘Rien ne va plus’ is een feest om te lezen tegen het einde van een bundel vol doordachte woorden:

Je zult maar zestien zijn en lelijk. Zoals jij.
Maar je wilt dichter worden, melkt de woorden van
Rimbaud en Baudelaire en slurpt je moeders soep
onder vijandig licht. En ‘s avonds op je kamer
zit je hardnekkig je verwekkers stuk te schrijven,
je dicht en heerst in het geniep over het leven,
een spotziek joch met een duivel tussen zijn dijen
dat ooit de mooiste meisjes zal berijden –
ja en je hand die nu zo fel papier bekrast
houdt op een dag een vlammend boekwerk vast.
Je naam in druk, de schoonheid van een vrouw: het komt,
het komt. Je bent een dichter nu en haast elk meisje
trapt erin. Gretig ben je, slordig met geluk.
Je leeft. Leeft niet. Schuilt steeds verscheurd in een gedicht
en haalt pas adem als je gure schoonheid ziet.
En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
door poëzie van alles om je heen vervreemd,
nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.
Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
Had je maar nooit een gedicht gezien.

Met een knipoog naar Slauerhoff weet Wigman ambitie, onzekerheid, bravoure en schaamte in woorden te vatten. Kortom, de zwalkende kunstenaar in optima forma, die juist door te twijfelen aan z’n eigen professie de dichtkunst op een hoger plan brengt. Het streven naar grootsheid van de eerzuchtige jeugd die wordt ingehaald door de nuchterheid van het volwassen leven. Toch kiert de liefde voor de poëzie haast wanhopig door deze regels.

Persoonlijke hevigheid maakt even snel weer plaats voor bescheiden uiterlijkheid zoals de Vlaamse Marleen de Crée laat zien. Altijd een verademing, poëzie die zich naar de ruimte toe draait, beschrijvend en observerend. Noem het klassiek of cliché, tussen alle navelstaarderij is een poëtische schildering van de buitenwereld een fijne ervaring. De Crée legt in ‘Voices’ de vinger op ruimte en tijd, ze kijkt in de toekomst en schrapt ter plekke de woorden die te veel zijn:

het ochtendlicht lekte uit de wolken.
een onbestemde vogel in het bos
viel uit een boom. waarschuwde.

dunne minuten tikten uren los,
een geluid van afgemeten tijd,
van een lijn die uitloopt in de luwte.
geroffel van water, vlucht tussen
druppel en punt.

Hier wordt, met een fraaie interpunctie, het leven beschreven alsof het een futiele aangelegenheid is. Zó klein en tegelijkertijd van een immense omvang, te groot om te omarmen. Als een pneumatische machine die de rijkdom van deze poëzie laat zien: een doorlopende pompbeweging die van klein naar groot, van binnen naar buiten en ja, van leven naar dood vibreert.

En dan zijn we in één grote armzwaai bij de laatste pagina van deze bundel beland. Alle opwindende nieuwigheid, experimenteerdrift, debutantengedoe en vormexplosies ten spijt, hier eindigen we haast sacraal met een indrukwekkende showstopper: wijlen Joost Zwagerman (met Zw dus hij is echt de laatste) en zijn haast Reviaanse woorden in het intieme gedicht ‘Droom’:

Een eeuwigheid geleden
leende ik aan God mijn stem.
Sindsdien schalt Hij basso
continuo over stad en land.

Een enkeling herkent mijn stem
en meent dat God in tongen
spreekt. Zijn eenzang, mijn
timbre, het is een misverstand.

Om minder is wel achterdocht
gewekt. Bedeesd hul ik mij
in het tomeloze zwijgen dat
Hem tot aanbeveling strekt.

 

 

N.B. Dit zal de een na laatste De 100 beste gedichten bundel zijn, een uitgave in het kader van de VSB Poëzieprijs. Vorige week werd namelijk bekend dat het VSBfonds na 24 jaar hun naam niet meer wil koppelen aan deze Poëzieprijs. In 2018 zal de laatste keer zijn dat deze prijs wordt uitgereikt onder de naam VSB. De komende jaren wil het VSBfonds zich nog meer richten op actief burgerschap en initiatieven/projecten die ernaar streven de onderlinge verbinding tussen mensen tot stand te brengen of te herstellen, daarbinnen past een prijs voor een bundel van een individu niet meer.

 

 

Omslag De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs -
De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs
gekozen door Francine Houben
Verschenen bij: Singel Uitgeverijen
ISBN: 9789029511803
136 pagina's
Prijs: € 9,99

Meer van André van Dijk:

Recent

15 december 2017

Drakenbloed en hoestende koeien

Over 'Tijl' van Daniel Kehlmann
14 december 2017

Vergane Hollywoodglorie in de Maghreb

Over 'De oppermachtigen' van Hedi Kaddour
13 december 2017

Literatuur uit de provincie

Over 'Ergens op het eind' van Erik Nieuwenhuis
12 december 2017

Troosteloos zal het in Twente wezen

Over 'De heilige Rita' van Tommy Wieringa
11 december 2017

Niet alles hoeft begrepen om te zien hoe prachtig het is

Over 'Finisterre' van Eugenio Montale