Aan de leestafel in de bibliotheek blader ik in een tijdschrift met kledingpatronen. Een man naast me vraagt belangstellend of ik van handwerken houd. Carmiggelt waarschuwde zijn vrouw om tijdens een interview toch vooral niet te zeggen dat ze graag naaide, omdat de volgende vraag dan ongetwijfeld zou zijn: met wie? Daarom zeg ik voorzichtig dat ik graag mijn eigen kleding maak. De man knikt en zegt dat hij zich dat wel kan voorstellen, omdat het met mijn maat niet zal meevallen leuke kleren te kopen. Ik ben te dik, zegt hij, en dat komt omdat ik troep eet. Alle mensen eten troep, behalve hijzelf, en daarom is hij onsterfelijk geworden. Er zit een voedselgoeroe naast me. Dat is teleurstellend, want ik sta argwanend tegenover mensen die alles zo zeker weten; de twijfelaars zijn mij liever. Maar ik ben benieuwd hoe hij onsterfelijk is geworden. Ik wilde dat vroeger ook wel. Daarom  doe ik alsof ik die opmerking over mijn kledingmaat niet gehoord heb. 

Als ik hem vraag wat hij eet om het eeuwige leven te bereiken, vertelt hij dat hij slechts één keer in de maand kookt: een grote pan soep. Die verdeelt hij over kleine potjes die hij in de ijskast zet en daarvan eet hij de hele maand en niets anders. In de vriezer, verbeter ik, maar nee, hij bedoelt de ijskast. En als ik nu maar naar hem wil luisteren, zal hij me vertellen welk voedsel mij ook het eeuwige leven gaat schenken.
Ik moet denken aan de roman van Simone de Beauvoir, Niemand is onsterfelijk. Daarin drinkt de hoofdpersoon graaf Fosca een elixer, nadat hij het op een muis heeft uitgeprobeerd om te kijken of het niet dodelijk is, dat hem onsterfelijk maakt. Maar de onsterfelijkheid die hij zo begeerde, blijkt een vloek te zijn. Later verzucht hij dat als alle leven op de wereld is uitgestorven, hij en die muis nog steeds over de aarde zullen moeten dwalen, eenzaam en ongelukkig.

Nu wil ik niet meer onsterfelijk zijn. J. C. Bloem had onweerlegbaar gelijk in zijn gedicht uit de bundel Afscheid uit 1957:

Quando ver venit meum (Wanneer komt voor mij de lente)

‘Nimmermeer. Er is geen weerkomst van een eens gemist getij.
 Iedere dag is als de vorige onherroepelijk voorbij.

 Altijd zullen lenten keren, altijd zullen herfsten gaan.
 Tussen ongeboorne’ en doden flitst het menselijk bestaan.

 En wat blijft den machtelozen tussen straks en toen?
 Het onaanvaardbare te aanvaarden en het zwijgen ertoe doen.’

 

Als de voedselgoeroe aan het slot van zijn pleidooi voor gezond eten nog vertelt dat je elke ochtend je eigen urine moet drinken om de onsterfelijkheid te verwerven, moet ik weer aan graaf Fosca denken. Het elixer voor het eeuwige leven? Ik vrees dat ik in dat geval niet ouder zal worden dan de mij toegemeten jaren. 

 

 


Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.