Ongrijpbare paradijsvogel – In memoriam Hans Verhagen (1939-2020)

Door André van Dijk

Op mijn netvlies staat die beroemde foto uit 1965 van de vierkoppige redactie van het avant-garde tijdschrift Gard Sivik/De Nieuwe Stijl. Recht in de camera kijkend: Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar. Met uitdagende blik spieden de kersverse grondleggers van het poëtisch neorealisme in de lens. Armando als de getergde bokser, Sleutelaar als de gewiekste reclamemaker, Vaandrager als ongeleid projectiel, en er ietwat verbaasd tussenin de jonge Hans Verhagen. De heren hebben zojuist hun nieuwe stroming gepresenteerd waarmee ze de poëzie op haar grondvesten zullen doen laten schudden. Alles gericht tegen die vermaledijde Vijftigers die de poëzie met hun lyrische experimenteerkunst voorgoed hebben besmet. De ‘Zestigers’ propageerden een Nieuw Realisme dat voornamelijk moest bestaan uit het ‘intensiveren van de werkelijkheid’ en de ‘authenticiteit van de informatie’.


Hans Verhagen is het minst
overtuigende lid van deze club geweest. Vooral geïmponeerd door de reputatie van Armando en zijn Rotterdamse kompanen bleek na enige tijd dat hij niet helemaal in de wereld van de reclameteksten en readymades thuishoorde. Zijn in 1963 gepubliceerde debuutbundel
Rozen & Motoren toont aanvankelijk nog het tegendeel. Uit de cyclus Genocide bijvoorbeeld dit:

‘Geboren 30-7-’61 10 u. 55, zoon van
 Hans Verhagen & Conny Tavenier’

Een readymade in topvorm. Toch is in deze eerste bundel de wispelturigheid van Verhagen al aanwezig. De lyriek ligt op de loer en uit zich op haast onbewuste wijze in een groot aantal verzen. Alleen al het korte, titelverklarende gedicht is een duidelijke weerklank van de verteller, een persoonlijke uiting die de wenkbrauwen van de overige Zestigers zeker zal hebben doen fronsen:

‘Het is niet vrij van rozen
 en ook het gebruik van motoren
 is aan mijn lichaam niet vreemd.’

De verwoording van de alledaagsheid in snoeiharde oneliners, wervende teksten uit het straatbeeld, het was allemaal razend interessant voor de dichterlijke veelvraat die Verhagen was. Maar het was niet voldoende. Daarbij voelde de aansluiting bij een stroming voor hem als een keurslijf dat er juist om vroeg op gezette tijden doorbroken te worden. 


Hans Sleutelaar noemde Verhagen in
die tijd ‘een romanticus tegen wil en dank, die de pathetiek niet schuwt.’ Dat werd in vele gedichten aangetoond, waarin Verhagens romantische lyriek een grote vlucht neemt. Uit de cyclus
Sterren boven Bombay:

‘Je zei dat je zou komen,
 ik heb op je gewacht.
 Je zei dat je bij mij zou blijven,
 ik ben alleen gebleven.
 Ik hoopte dat je me alleen zou laten
 maar je hebt me met een menigte gevuld
 en ik weet niet wat ik doen moet –’

Ook de uiterlijke vorm speelt al vroeg een rol in Verhagens werk. De bundels Cocon (1967) en Sterren cirkels bellen (1968) vallen op door hun uitbundige vormgeving. Kleurige pagina’s, geometrische vormen, typografische experimenten, de traditie om poëzie op gepaste wijze in zwart-wit aan het papier toe te vertrouwen is aan deze dichter niet besteed. Een directe link met zijn beeldende werk als schilder – in de jaren tachtig heeft hij zijn eerste solo-expostie – wordt goed zichtbaar in deze bundels. 


Verhagen doet zijn ongrijpbaarheid eer
aan en verdwijnt met enige regelmaat van de radar als dichter. Hij legt zich toe op de beeldende kunst en steekt veel tijd in zijn werk als televisie- en filmmaker. Als producent van de spraakmakende VPRO-programma’s
Hoepla en Het Gat van Nederland weet hij de in die tijd geldende grenzen flink op te rekken. In 1983 verschijnt er dan weer een nieuwe dichtbundel, Kouwe voeten. Een diepzwarte bundel met veel regels die verwijzen naar Verhagens ex-vrouw Conny die, sinds hun scheiding, meerdere zelfmoordpogingen heeft gedaan. De verzen zijn sterk emotioneel, overladen met sentiment en handelen over de doorlopende levenscyclus en de betekenis van eeuwigheid:

‘In 1 keel meeschreeuwend met al wat niet kan zingen
 jaag ik tevergeefs door het stenen tafereel
 waarin ze plotseling oploste
 toen ik even niet keek.

 O de holte van d’r romp op zolder gevonden,
 met een gat waar d’r hart was en waar
 je doorheenkeek in een wirwar van stegen
 waarin ze verdween, m’n geweten.’


Na opnieuw een lange pauze,
en twee door critici slecht ontvangen bundels in de jaren
negentig, is er vanaf 2000 weer een opleving in de poëzie. Verhagen laat zich in die jaren kennen als flamboyante, maar vooral onvoorspelbare gast op literaire avonden en festivals. Toch heeft de door drank en drugs overeindgehouden paradijsvogel met zijn bundel Triomfantelijke wandelingen weer een groot deel van de recensenten voor zich gewonnen. Met een sterk engagement en een reflecterend oog kijkt de dichter vooral naar zichzelf en zijn eigen beweging:

‘zonder punt van aankomst kom je niet tot stilstand,
 schiet je door je punt van nooit meer terugkeer heen –
 aankomen en wegwezen hebben geen betekenis meer
 tot je je zó in het bewegen hebt geïnfiltreerd dat je
 – niet gezegd op een plek waar jij het meest aan hecht –
 opnieuw lijkt stil te zullen staan; je begint weer om je heen
 te kijken en herkent van alles, alsof er in je leven
 niets veranderd is, wat opvallend is,
 omdat je juist is opgevallen
 dat alles anders is.’

 

Dan volgen nog een aantal succesvolle bundels én een verzamelbundel en wordt in 2009  aan Verhagen de PC Hooftprijs voor Letterkunde toegekend. De jury spreekt van ‘verbluffend goede poëzie, vanwege zijn humor, zijn engagement, zijn poëtische durf en eigenzinnigheid’. De dichter reageert koeltjes op de prijs en vindt het allemaal ‘wel leuk – ik heb dat werk gemaakt, dat is ook wel wat waard’. Met het geldbedrag is hij erg blij. ‘Kan ik allicht een middag van roken. O ja, moet ik er iets nuttigs mee doen? Iets literairs? Een peuk van Kloos kopen of zo?’

Hans Verhagen, de Zestiger die zich verzette tegen de Vijftigers, terwijl zijn grote liefde voor Lucebert altijd is gebleven. Over hoe hij zelf schrijft heeft hij nooit veel meer kunnen zeggen dan: ‘associatief, de woorden komen gewoon tot me’. De eeuwigheidswaarde van zijn omvangrijke oeuvre? Wil hij niets over horen. De ongrijpbare dichter, altijd in het hier en nu, schrijft de onmacht van zich af in Implosie (2009):

‘Met al mijn lyrische geneeskracht
 heb ik nog geen enkel wezen
 van het sterfbed teruggebracht’

 

 

Recent

24 september 2020

Verlangen naar verandering

22 september 2020

De vreemdeling in huis

Literair Nederland - 10 jaar geleden

30 september 2010

Recensie door: Rein Swart

IJzersterke thriller met echte mensen

Het laatste boek van Stewart O’Nan met de wat curieuze titel Laatste avond in de Lobster vroeg om meer van deze schrijver te lezen. Zijn debuutroman Sneeuwengelen kent een soortgelijke ambiance: het is kersttijd, de periode om cadeautjes voor elkaar te kopen en buiten sneeuwt het, maar tegelijk bevinden we ons in een heel andere wereld; niet in die van een lobster restaurant in de staat New York, maar in de omgeving van Pittsburg, waar een jonge vrouw met een pistool om het leven wordt gebracht.

Lees meer