Onder de toonbank

Op 1 september 1989 kocht ik de Nederlandse vertaling van Salman Rushdies The Satanic Verses. De datum vind ik terug op het titelblad, de reactie van de boekverkoper –  in de kiosk van station Hilversum –  is in mijn geheugen gegrift.
Ik vroeg naar het boek en de man, begin veertig en grijzend, veerde bij mijn vraag iets naar achter. Zijn gezicht verstrakte en tegelijkertijd speurden zijn ogen de directe omgeving af.
Er was niemand, er waren alleen boeken.
Hij leek te twijfelen. Toen haalde hij van onder de toonbank De Duivelsverzen tevoorschijn, met een hand het omslag afschermend, voor als er toch iemand plotseling de kiosk binnen zou stappen.
‘Het is het enige exemplaar dat ik heb,’ zei hij. Hij klonk opgelucht.
‘Ik hoef er maar eentje.’
Een luchtig antwoord, maar eenmaal in de trein zocht ik bewust een stil plekje op om ongezien te kunnen lezen. Bonkend hart. Dreigtaal reikt ver. Toen al.

Zoals dat gaat. Na de aanslag op Rushdie op 12 augustus jl pakte ik De Duivelsverzen weer uit de kast. Een boek zonder leesvouwen, toentertijd haakte ik na vijftig pagina’s af, de draad volledig kwijt. Maar nu, volwassener, zie ik opeens hoe luchtig en speels het boek opent, moet ik zelfs lachen om de eerste scène, hoe Djibriel Farisjta en Saladin Chamcha naar de aarde duikelen.
Zo gaat het.
Zonder die aanslag was het boek in de kast gebleven.
Zonder die aanslag geen herdrukken, geen nieuwe lezers.
Wat aandacht krijgt groeit.

Ik hoopte na de mes-aanval op een plottwist. De Iraanse pers spreekt haar afschuw uit over de daad, jubelt niet, geeft Rushdie niet zelf de schuld. Er is meer begrip voor de vrijheid van expressie en minder voor wraak. Er is de oprechte wens dat niemand hoeft te lijden. Hoe verder de problemen van me afstaan hoe gemakkelijker de oplossing lijkt. Kom op, mensen even je best doen, straks danst iedereen de horlepiep.

Dat komt ook door Meer dan een mens kan doen, de verzamelde Zen-toespraken van Ton Lathouwers. Ik kreeg het dit jaar cadeau.  Lathouwers ontmoet in Kyoto een Zen-leraar die door een eenvoudige uitspraak iets in hem opent: ‘Iedereen is aanvaard, precies zoals je bent, hier en nu, zoals hij of zij is.’
Het zijn warme woorden. Toegegeven, ik behoor tot die groep mensen die graag aanvaard zou willen zijn en anderen graag aanvaardt.
Natuurlijk gun ik iedereen dezelfde uitkomst.
Ook de aanvaller op Rushdies leven.
Ook de goedpraters van deze geweldsdaad.
Gered en aanvaard. Hè, fijn.
Eerlijk oversteken, dat wel. Dank u wel!

Want ik leg mijn eigen leven onder het spreekwoordelijk vergrootglas en de goedwillende glimlach van aanvaarding verstart. Van duim naar pink tel ik met gemak de mensen waarbij ik denk: Gered? Ik weet het niet. Het mag van mij, maar zeker niet op stel en sprong. En zo zit je midden in je eigen strijd, tuimelen, onzichtbaar voor iedereen, Farisjta en Chamcha door je eigen hoofd. ‘De hemel zwijgt. Je hebt alleen het geloof van je hart’ citeert Lathouwers uit de Legende van de Grootinquisiteur (uit De Broers Karamazov van Dostojevksi). Mooi. Alleen soms is dat eigen hart toch ook een probleemgeval.

 

Meer van Eric de Rooij: