Oefenen in herinneren

Ik herinner me van Joe Brainard (1942 -1994) is volgens het omslag een cultklassieker en Paul Auster noemt het, in het voorwoord, een klein meesterwerk. Brainard inspireerde George Perec tot zijn Je me souviens en Perec leverde weer het motto voor één van de leukste deeltjes uit de reeks Privé-domein: Ik herinner mij. Ons geheugen is een wispelturige, leugenachtige, maar prachtige bron. Is het allemaal waar wat Brainard zich herinnert? Brainard zet honderden herinneringen op een rij die hij telkens begint met ‘Ik herinner mij’. Dat lijkt weinig afwisselend en toch levert het fascinerende literatuur op. Er zijn herinneringen aan familie, eten, seks, aan dromen, aan school en kerk, maar geen enkele aantekening, aldus Auster in het voorwoord, gaat over ruzies, verdriet of geweld. Aan Ik herinner me lijkt zachtmoedigheid ten grondslag te liggen. 

Je kunt het boek ook als een schrijfoefening zien. Start zelf een zin met ‘Ik herinner me’ en de woorden komen vanzelf. Zo sturend is taal. Ook de herinnering van een ander brengt eigen herinneringen. Neem bijvoorbeeld Brainards herinnering aan een – lugubere – grap: ‘Ik herinner me “Mammie, mammie, ik hou niet van m’n broertje”. “Hou je mond, Mary Anne, en eet wat ik je voorzet!”’ 

Die grap gaf me een grap terug die mijn vader vaak vertelde toen ik klein was.
Ik schrijf hem op zoals Brainard doet. 

Ik herinner me dat op de vraag ‘Hoe laat is het?’, mijn vader antwoordde: ‘Pilatus? Die is al lang dood.’ 

Ik herinner me dat mijn vader soms de vraag én het antwoord zei.

Ik herinner me verjaardagsfeestjes waarop iedereen hard lachte als een oom met Duits accent voor de zoveelste keer zijn Heinrich und Ich-grap vertelde:  Heinrich en die ene Ich hadden met soviele kameraden ein Holländer ganz kaputt gemacht.

Ik herinner me grappen waar ik me ongemakkelijk  bij voelde: ‘Homo huilt… homo… fiel.’ ‘Je moet echt eens naar de fietsenmaker, je hebt een slag in je reet.’  

Ander onderwerp! Brainard heeft veel herinneringen aan eten, zoals: ‘Ik herinner me roze limonade.’

Ik herinner me De drie musketiers, een stevige chocoladereep met karamel.  

Ik herinner me een zondag bij oma en dat een tante zei dat ik niet één maar drie repen mocht eten, het waren immers De drie musketiers.

Ik herinner me dat ik de logica daarachter niet begreep, maar toch wijselijk mijn mond hield.

Ik herinner me één-meterspek van de kermis.

Ik herinner me dat ik knakworstjes als kaarsjes in de appelmoes zette.

Ik herinner me het verhaal dat mijn vader in de Hongerwinter vuilnisbakken leeg schraapte.

Ik herinner me dat hij daarom geen restjes kon laten staan of weggooien.

Hier had ik een andere herinnering als slot bedacht (nu gedeletet), tot ik me afvroeg waarom ik me dit alles juist nu herinnerde. Bracht de Nationale Dodenherdenking, de verjaardag van mijn vader en de begrafenis van een neef herinneringen aan de oorlog en familie? In Hilversum zag ik het reuzenrad boven de huizendaken draaien, net als vroeger. En die taart van appelmoes met kaarsjes? Toch niet door al mijn mediaconsumptie? Brainard is dood, maar wat had ik graag ook bij zijn herinneringen de voetnoten gelezen.

 

 


Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

Meer van Eric de Rooij: