4 februari 2016

Ode aan een boeken- stad

Stefan Ruiters

De wekker ging om half zeven. Het stormde en de regen sloeg tegen de ramen. Met tegenzin stapte ik een uur later in de auto en reed door het donker richting oosten. Op de snelweg lagen grote plassen water en achterin de auto stonden twintig dozen vol met boeken. Literatuur, geschiedenis, filosofie, kunst- en fotoboeken. Om negen uur reed ik die ochtend het centrum van de IJsselstad  binnen. Op een terp voor de Bergkerk hield ik halt. In de stromende regen bracht ik de boekendozen naar binnen. Waarom? Niemand gaat toch door dit hondenweer naar buiten! Was ik maar thuis gebleven, lekker warm in m’n bed. Om tien uur waren alle meegebrachte boeken netjes uitgestald over de tafels. Ik was de laatste antiquaar die was binnengekomen met zijn waar, maar net op tijd om de teleurstelling urenlang te gaan verbijten. Een verregende dag in een Overijsselse provinciestad. Wat deed ik daar?

Ik stond dus in een middeleeuwse kerk in Deventer boeken aan de man te brengen. Om tien uur begon de markt. En voor ik het wist, ik had nog geen tijd voor koffie gehad of een smsje richting mijn lief dat ik veilig was aangekomen, was het één uur in de middag. Drie uur lang werden de boekenkramen bestormd zoals de muren van de kerk een paar honderd jaar geleden tijdens de Beeldenstorm. Deventenaren en ommelanders, wat een enthousiasme en kooplust. ‘Zo blij dat er weer een boekenmarkt is,’ hoorde ik een aantal mensen zeggen. Wat blijkt? Er bestaat in Deventer een boekenclub van 500 tot 600 leden. En natuurlijk, Deventer heeft de grootste boekenmarkt van Nederland, maar dat is in de zomer en niet op een natte dag in januari.

Maar misschien heeft dat succes wel  een oorzakelijk verband met het enthousiasme van de lokale lezers. Ook mijn buren, collega-antiquaren uit de stad, zijn alleraardigst, komen om het half uur een praatje maken en bekennen dat ze vreesden voor hun verkoop, omdat ik naast ze sta met mijn boeken. Ik zeg dat dat wel mee zal vallen en koop een paar mooie boeken bij ze. Onder andere Baudelaires Les fleurs du mal in de Franse Bibliotheek van Van Oorschot en Nescio’s Natuurdagboek. Tevens weten ze me te strikken voor een lidmaatschap van de vermaarde Stichting De Roos. En terecht. Dit bibliofiele genootschap laat twee tot drie keer per jaar in een kleine oplage een speciaal voor hen vervaardigde publicatie verschijnen. Vaak is dat een samenwerking tussen een kunstenaar en een schrijver. Dubbeltalenten als Armando of een grote schrijver als Grunberg lieten hun werk al eens door De Roos uitgeven. ‘Je krijgt waarschijnlijk nummer 153,’ zegt de penningmeester. Niet onbelangrijk in de wereld van de bibliofilie. Een nummer zijn is in dit geval juist waardevol. En ik hoef niet op een wachtlijst, want er zijn onlangs een aantal leden overleden en er is weer een nummer te vergeven. Het abonneebestand vergrijst, dus ik, maar! 43 jaar oud, verlaag de gemiddelde leeftijd weer enigszins. Daar zijn ze blij mee. Net als mijn tijdelijke buurman en collega, die ook in het bestuur van De Roos heeft plaats genomen. In Deventer is het in de wereld van het boek goed toeven. Met heel wat minder boeken en een verlicht gemoed rijd ik ’s avonds weer richting het westen.

 

 

Recent

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

14 september 2017

Daar waar granaten fluiten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer