2 januari 2011

Nop Maas interviewt Detlev van Heest

Door: Rein Swart

Levenservaringen van een parkeercontroleur

In de kleine, maar gezellige boekwinkel van Spijkerman & Son in de Gierstraat in hartje Haarlem voelt Nop Maas de schrijver Detlev van Heest aan de tand. Voor hen liggen meerdere stapels met verschillende drukken van de twee boeken die Van Heest heeft geschreven en die in 2010 zijn uitgebracht. De eerste met een lange titel heet De verzopen katten en de Hollander en de laatste met een korte titel Pleun. Anders dan op de stijve foto op de poster die achter hen hangt, komt Van Heest over als een vriendelijke, vrijuit pratende man.

Het gaat al gauw over het verband tussen de twee boeken. Van Heest heeft Pleun geschreven om uit te zoeken hoe het zat met de breuk die hij in zijn persoon en relatie met Annelotte ervaarde. Hij vindt Pleun minder gerijpt, veel impulsiever dan het doorgewerkte eerste boek over Japan en vroeg zich af of het wel had moeten worden uitgegeven. Hij vreesde zelfs dat de uitgeverij door de dure uitgave op het door hem zo geliefde dundruk failliet zou gaan.

Niemand heeft de doorgaande lijn die van het eerste naar het tweede boek loopt ontdekt, zegt hij. Hij gaat in op de bespreking van Frits Abrahams in de NRC, die de zelfontleding in Pleun niet gepast vond. Zelf heeft hij daar minder moeite mee.

Volgens Van Heest moet een schrijver iets te schrijven hebben en daarom deel uitmaken van de maatschappij. Hij werkt als parkeercontroleur en sterft liever dan steun te vragen bij het Fonds voor de Letteren. Zijn boeken zijn gebaseerd op dagboeken, die hij schreef om zijn falen ten opzichte van anderen te verwerken.

De schrijver houdt niet van gepsychologiseer in boeken en vindt het dan ook sterk dat Maas in zijn biografie over Gerard Reve niet verklaart, maar laat zien. Hij verzette zich er tegen dat hij in de Volkskrant als een Voskuil-epigoon werd neergezet, maar was wel bevriend met Han en Lousje en geeft wel toe dat hij tot dezelfde stroming behoort als Minke Douwesz en Frida Vogels, die allen ego-literatuur schrijven. Hij voelt zich methodisch aan hen verwant en correspondeert met de laatste.

Als Nop Maas hem vraagt om het slot van Pleun voor te lezen, dat gaat over het terugzien van zijn kat Kootje na lange tijd, dat doet hij dat met ontroering. Het gesprek gaat erover dat dieren voor hem gemakkelijker zijn in het contact en dat hij zorgvuldig met hen omgaat en dat dat altijd al zo geweest is. Maas onthult dat er een correspondentie bestaat tussen Kootje en Dibbes, de kat van Voskuil, maar het is de vraag, zegt Van Heest, of die echt van belang is voor de Nederlandse letterkunde.

Tijdens het vragenrondje horen we dat het onwaarschijnlijk is dat Van Heest fictie zal schrijven, maar hij denkt wel aan een boek over de Duitse tak van zijn familie.

Meer van :

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník

Recent

7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist
2 augustus 2017

Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

Over 'Nachtschrijver' van Jannie Regnerus
31 juli 2017

Het gitzwarte leven

Over 'Noordwaarts' van Naomi Rebekka Boekwijt
28 juli 2017

Het lot van een niet-joodse jood

Over 'Buster Kafka' van Martin Schouten

Verwant