Het is een grijze dag, regen ruist met forse regelmaat door de boombladeren achter het huis. Op spotify zingt Carole King, ‘So far away /  Doesn’t anybody stay in one place anymore / It would be so fine to see your face at my door’. Gevoelens van een verlangen naar toen, naar hoe alles begon, keuzes die gemaakt werden, dingen die gezegd zijn. Heimwee naar de kindertijd van mijn kinderen, het eerste huis dat stond op een stuk opgehoogde aarde in een buurtschap langs de IJssel, dat we achterlieten voor een ander land waar we jaren woonden, waarvan ik me herinner dat in november het gemis van alles wat achterbleef het sterkst was. De maand waarin dertig jaar geleden de Berlijnse muur viel. Berlijn, een stad die volgens Cees Nooteboom ooit een beroerte had gehad. Opeens moet ik dringend op zoek naar het boek Allerzielen. Ik vind het niet bij de N in de boekenkast, wie heeft het, waar is het, ah, daar voorbij de M staat het.

Arthur Daane loopt in de jaren negentig door een koud Berlijn, begeleid door stemmen uit het verleden, door Nooteboom ‘het moeras van de voorbije tijd’ genoemd. Stemmen die je liever negeert omdat dingen die voorbij zijn niemand interesseert. Alsof je met je ziel te koop loopt en geen hond het wil hebben.‘Dat bestaat,’ schrijft Nooteboom, ‘jaren waarin de gebeurtenissen voortrazen, waarin bladzijde 398 bladzijde 395 allang vergeten is, en de werkelijkheid van een paar jaar eerder belachelijk dan dramatisch lijkt.’
Ik ga met hem mee door donkere en verlaten straten die van een naargeestigheid zijn dat het berusting brengt. Daane, voormalig cameraman die over de hele wereld interviews en de gevolgen van gruweldaden heeft gefilmd, loopt door Berlijn met een verlichte geest, Berlijn als kernpunt van de geschiedenis. De sneeuw waait in zijn gezicht, ongezien loop ik mee, voel de kou van een straffe wind die ook de sneeuw aan mijn gezicht doet kleven.

Terwijl hij de kraag van zijn jas nog eens optrekt, hoort hij de hulproep van een heilsoldate die gehurkt bij een door kou bevangen zwerver zit. Er moet een ambulance gebeld worden. Een paar straten verder, in de Otto-Suhr-Allee zit een oude vrouw in een glazen bushokje, ze zwaait naar hem, of nee, het is meer een bevelend wenken. ‘Ze was oeroud, misschien wel negentig. Hoorde binnen te zitten met dit weer. Negentig, stel je voor dat het echt waar was.’ Waarbij hij denkt een eventuele echtgenoot, of die gevallen is aan het Oostfront, of zijzelf heeft meegejubeld, of juist niet, tijdens toespraken van Goebbels in het Sportpalast. Was haar huis verpletterd door een bom uit Lancaster. ‘Niets wist je van mensen, behalve dan dat zij toen een jaar of veertig geweest moest zijn.’ Met een ‘hoge commandostem’ vraagt ze: ‘Glauben Sie, dass noch ein Bus kommt?’ Hij denkt van niet, brengt haar naar de ondergrondse en gaat verder. Een verslag van onvermijdelijke gedachten in een naoorlogs leven.

 


Inge Meijer leest alle dagen van de week, schrijft over haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

 

 

Meer van Inge Meijer: