Toen ook de jongste dochter het ouderlijk huis verliet, begonnen de kamers van de kinderen één voor één het herkenbare, persoonlijke stempel kwijt te raken dat elk kind erop gedrukt had; ze veranderden in logeerkamer of opslagruimte voor achtergelaten spullen. Ik dacht weer aan A room of one’s own van Virginia Woolf. Ik wilde al zo lang een kamer voor mezelf; we besloten dat een van de verlaten kamers voortaan van mij zou zijn. Het werd die met het mooiste uitzicht, aan de achterkant van ons huis, waar ik ’s morgens heel vroeg kon zien hoe de opkomende zon de mist verjoeg die over de groene velden hing.

Ik koos de kleur die de muren zouden krijgen en de deur, ik tekende een plattegrond van hoe de kamer eruit zou moeten zien. Ik vertelde mijn man, die beloofd had boekenkasten te maken, hoe ik ze het liefste wilde hebben: het aantal, de hoogte en de afmetingen van de ruimte tussen de planken. En aan het eind van elke dag werd de kamer steeds een beetje meer van mij: er kwam een bureau te staan, een schommelstoel, een goede leeslamp, en verder boeken, boeken, boeken aan alle kanten om me heen. Ik had die kamer nodig. Hier kon ik ademhalen als het tumult van de dag dreigde te verhinderen dat ik de stilte kon horen. Hier kon ik me terugtrekken als ik daar behoefte aan had. Hier kon ik alleen zijn met wat Rilke ‘meine heilige Einsamkeit’ noemde. Hier was ik gelukkig, heel wat gelukkiger dan de vrouw die slechts een geparkeerde auto tot haar beschikking had om even alleen te kunnen zijn. Voor haar had Hannes Meinkema het volgende gedicht geschreven:

Eventjes

– voor Maja –

ik ga eventjes werken zegt ze tegen de kinderen
eventjes
moeten jullie me niet storen

en de precieze beelden die ze maakt
zijn de schrijnende en
levenslange
brons geworden veelheid van gevoel
van iemand die als ze het niet langer uithoudt
eventjes
in de auto voor de deur alleen moet zitten zijn.


Toen een vriendin van me verhuisd was, nodigde ze me uit om te komen kijken naar de nieuwe woning. Ze gaf me, samen met haar man, een rondleiding door het hele huis. Het was inderdaad prachtig geworden, om jaloers op te zijn. In het souterrain deed haar man een deur open en zei dat deze kamer speciaal voor zijn vrouw was. Toen ik nieuwsgierig naar binnen keek – zou ze ook zo veel boekenkasten hebben als ik? – zag ik een wasmachine, een wasdroger, een strijkplank met daarop een strijkijzer en twee wasmanden. Handig, zei haar man, om alles bij elkaar te hebben, dan kon ze alles achter elkaar in dezelfde ruimte afwerken. Zijn vrouw knikte, maar niet heel enthousiast. Ik ben nog mee naar buiten gegaan om de tuin te bewonderen, maar ondanks hun aandringen ben ik niet gebleven voor het eten. Ik wilde naar huis, naar mijn eigen kamer, naar mijn man, om hem te vertellen dat ik van hem hield.

 

 

 


Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.