Ik was begonnen aan een zelfhulpboek voor kunstenaars. Het boek achtervolgde me al jaren, in de vorm van mensen die het hadden gelezen en dachten dat het echt iets voor mij was. Ik twijfelde of een zelfhulpboek een weg naar grote kunst kon zijn, maar toen iemand het boek speciaal voor mij uit zijn rommelkast had opgegraven, omdat hij dacht dat het echt iets voor mij was, gaf ik me over. Als ik een zelfhulpboek lees dan doe ik het goed. Ik stuur mijn ongeloof op vakantie en verander in een brave lezer die alle opdrachten doet, ook als ze niet nuttig lijken.

Als er staat dat ik mijn ogen dicht moet doen om iets voor me te zien of naar mijn gevoel te luisteren dan doe ik dat, niet gehinderd door autoriteitsconflicten tussen mezelf en de schrijver. Ik geef het boek een eerlijke kans. En zo maakte ik een lijstje van mensen die ik bewonderde, en een ander lijstje van mensen die ik stiekem bewonderde, om er zo achter te komen dat ik stiekem groots succes nastreef en dat ik mijn dichterschap verwaarloosd had. Ook moest ik de kunstenaar in mezelf meenemen op een date. Ik ging met mezelf naar het strand. Ik had het meer naar mijn zin dan anders, waarschijnlijk omdat het een ‘date’ heette, in plaats van ‘alleen naar het strand’. Deze week wilde de schrijfster van het boek me laten geloven dat het een goed idee zou zijn een week lang niet te lezen. Ze zei dat woorden werken als kalmeringsmiddelen voor de geest. Ze nemen onrust weg maar verdoven ook je waarnemingsvermogen en creativiteit.

Mijn ongeloof was op vakantie, dus ik probeerde het. Elke ochtend haalde ik de krant uit de brievenbus beneden, maar las hem niet. De Groene Amsterdammer liet ik in het plastic op de keukentafel liggen. Ik ontbeet, mijn blik zorgvuldig afwendend van interessante krantenkoppen, en zorgde voor de planten. Overdag liet ik al mijn boeken, ook het zelfhulpboek waarin stond dat ik niet mocht lezen, links liggen. Ik zocht geen informatie op over medische klachten. Om ’s avonds in bed toch wat woorden te hebben, schreef ik. En ’s ochtends schreef ik ook. En ’s middags, toen ik een schilderij wilde maken, schreef ik op mijn schilderij. Het werkt, dacht ik: ik ontdek iets.

Toen belandde ik in de leeszaal van een ruilbibliotheek. Als een ware woordverslaafde ging ik met mezelf in gesprek. De regels van de ruilbibliotheek, die mocht ik wel lezen. Dat telde niet, dat was praktisch. En de titels op de ruggen van de boeken in de kast. Dat was gewoon leuk om te weten. Een boek openslaan? Dat zou te ver gaan. Ook bij poëzie? Was poëzie lezen eigenlijk wel lezen? Is dat niet meer een soort waarnemen? Nee. Dan was het hek van de dam. Poëzie mocht ook niet. Kunstboeken dan. Misschien straks even, kijk ik alleen naar de plaatjes. Mijn leesmaag knort. Nog drie nachtjes slapen.

 


Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

Meer van Gerda Blees: