De vrouw van de boekhandelaar leest voor de derde keer Het Bureau van J.J. Voskuil. Ze zit aan de eettafel in de gemeenschappelijke woonkamer van het verpleeghuis. Uitzicht op kantoren en een doorgaande weg. Naast haar placemat, het vierde deel uit de reeks, Het A.P. Beerta-instituut, meer dan negenhonderd pagina’s dik. Samen met enkele andere bewoners doodt zij zwijgend de tijd in afwachting van de lunch die over anderhalf uur komt.
‘Kent u het?’ vraagt ze?
‘Natuurlijk!’ antwoord ik.
Ik haakte laat aan bij de hype, kocht meteen de eerste vier delen. Toentertijd werkte ik bij een educatieve uitgeverij en mocht boeken met boekhandelskorting – doorgaans 40% –  aanschaffen. De pakketten met bestelde boeken kwamen binnen op het bureau van een collega tegenover mij. Geregeld vond ik haar te traag met uitpakken. Zij vond dat ik te vaak boeken bestelde: ‘Voor mij is dat telkens extra werk.’ 

Zo verwierf ik relatief goedkoop de complete Voskuil, maar ook de complete Paustovskij uit Privé-Domein. Boeken waarop ik zuinig was, maar die beide slachtoffer werden van wat de tijd met boeken kan doen: verbleken door zonlicht (Voskuil) en beschadigd raken door de vraatzucht van zilvervisjes (Paustovskij).
‘Ik vind de ruzies tussen Maarten en Nicolien erg vermakelijk,’ zegt de vrouw
We nemen de lift naar beneden.
‘Ik heb een zwak voor Nicolien,’ antwoord ik.

De dynamiek van geliefdes. In gesprekken met andere Bureauliefhebbers had je mensen die haar gedrag verfoeiden of loofden – een tussenweg was er niet. Ik hoorde tot de laatste categorie. Mocht ik met een vrouw het leven delen, dan moest ze het karakter van een Nicolien hebben. Compromisloos, gevoelig voor onrecht, principieel en confronterend. Neem nu deze passage uit het vierde deel. Een telefoongesprek tussen Maarten, vanuit het A.P. Beerta-instituut, en Nicolien, gewoon thuis,  over collega Ad en zijn vrouw Heidi die niet meer op de poes willen passen. Nicolien neemt de zaak direct persoonlijk op:
‘Je bedoelt dat het mijn schuld is!’
‘Nee, dat bedoel ik niet.’
‘Het leek anders wel zo!’
‘Jij bent op Heidi afgegaan, dus jij kon het niet voorzien.’
‘Nee, dat zou ik ook zeggen!’
Meteen weer vermakelijk. Vanzelf lees ik door, want dat is de kracht van Het Bureau, een dikke pil die gemakkelijk wegleest. 

Ach ja, Nicolien. Ze werkt niet, blijft thuis bij de katten, en houdt ondertussen Maarten – en de lezer – een spiegel voor. Scherp ziet ze de zotheid van mensen in instituties. Ik kreeg er last van in mijn dagelijks werk. Werd er met bombarie een nieuwe missie gelanceerd met staafdiagrammen en ronkende woorden, dan keek ik om me heen of ik de enige was die er cabaret in zag. Meestal wel. Het Bureau ondermijnde mijn werklust, ik voerde steeds minder uit. Overal bleef ik de Ads, de Wigbolds, de Balks, de Beerta’s, de Elshouts, de Dé Haans en zo veel andere personages zien en horen. In tegenstelling tot Maarten vertrok ik wel, ternauwernood.
De liftdeur gaat open, we stappen de hal in. De beperkende coronamaatregelen zijn voorbij, bewoners en familie zitten in de binnentuin, uit de kapsalon komt de warme geur van droogkappen. ‘Het is een feest om Het Bureau te herlezen,’ zeg ik, en denk: doe het alleen niet te vaak.   

 

 


Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn tweewekelijkse columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

 

 

Meer van Eric de Rooij: