9 december 2011

Neem iets wat klein is en maak het groot

recensie door: Albert Hogeweij

recensie door: Albert Hogeweij

 

Langzaamaan heeft Nachoem M. Wijnberg als dichter een naam gevestigd die het verschijnen van een nieuwe bundel van zijn hand voor poëzieliefhebbers tot een gebeurtenis van niveau maakt. Als ik als eerste aankom is zijn dertiende bundel (indien men de compilatiebundel Uit 10 waarin ook 30 nieuwe gedichten stonden meerekent, zelfs zijn veertiende) en telt maar liefst 70 gedichten. Deze sluiten met hun overzichtelijke strofische opbouw en korte versregels meer aan bij de in 2006 verschenen Liedjes dan bij de Divan van Ghalib en Het leven van respectievelijk uit 2009 en 2008 met hun veel langere versregels. Nieuw element in Als ik als eerste aankom is dat bij een aantal gedichten sprake is van voortdurend inspringende versregels zodat ze niet onder de regel erboven staan. Dat geeft een springerig effect en breekt het ritme. Maar iedere bundel van Wijnberg heeft die specifieke Wijnbergstijl. Behalve Kouwenaar ken ik geen Nederlandse dichter die zich zo van een eigen stijl bedient.

Een greep van typische Wijnbergregels uit deze bundel: ‘Als ik ergens veel van had / zou ik het op veel plaatsen neerleggen, / ook die ik niet van tevoren / had kunnen bedenken, / maar waar ik toevallig langsliep.’ Of: ‘Ik heb iets gezien / wat mij liet denken / dat het misschien  mogelijk is / iets te maken / wat in de lucht blijft hangen.’ Of: ‘OK, dat doen jullie / voor de toeristen / die iets willen zien wat niet altijd lukt.’ En ten slotte: ‘Mij wordt gevraagd / of ik, nu ik toch hier ben, / nog iets zou kunnen doen / wat kleiner en eenvoudiger is / dan wat ik al gedaan heb.’

In de gedichten van Wijnberg komt het onbepaalde voornaamwoord ‘iets’ dikwijls voor. Ik ken geen dichter die het zo frequent gebruikt. Meestal is er sprake van een ‘ik’ die zich voor de mogelijkheid geplaatst ziet ‘iets’ te doen, ‘iets’ te willen, of ‘ergens’ ’iets’ van te vinden, wat al dan niet ‘eerder’, ‘beter’ enz. is gedaan. Er is meestal sprake van ‘iets’ onbepaalds, waarvanuit met behulp van zinnen geladen met (bijvoorbeeld) de comparatief of superlatief,  (rang)telwoorden als ‘eerste’ of ‘laatste’, of een onbepaald woord als ‘enige’, een onderling verband wordt gesuggereerd dat niet zelden uit de pas loopt met de gangbare logica, maar dat het gedicht een eigen soort, en – moet gezegd – goed sluitende logica en luciditeit verschaft. Zoals de droomtoestand van de halfslaap zijn eigen logische wetten kent. De logica lijkt vaak niet de woorden te hebben gekozen, maar de woorden de logica. Maar de schoonheid van deze poëzie is niet te vatten, noch in logica noch in analyse, want evengoed verrast de schoonheid je vanuit een onvoorziene vergelijking: ‘Als midden in een bos / waar het midden in de zomer / donker is.’ In een interview heeft Wijnberg eens gezegd dat hij zijn gedichten schrijft om beter na te denken. Zijn gedichten lijken dan ook meer de kaders uit te zetten waarbinnen de dichter variaties, gedachtemogelijkheden exploreert. Logica in wording? Parallelle logica? Ik denk dat vrijwel geen gedicht van Wijnberg zich volgens de regels van de logica glad laat strijken.

De inhoud van zijn poëzie balanceert vaak op de grens van anekdote en abstractie, van filosofie en waarneming, van mythe en ervaring. Een enkele maal duikt er in deze nieuwe bundel een historische naam op als die van Aristoteles en diens Arabische exegeet Al-Farabi, Napoleon of Talleyrand, maar de meeste gedichten zijn in de ik-vorm. Ook verschijnt er hier soms, evenals in vele andere Wijnbergbundels, iemand ten tonele die makkelijk alles weggeeft wat hij had, terwijl hij buitenstaander lijkt. Hier lijkt de invloed van Oosterse levenswijsheden zich te laten gelden. Soms is er een geliefde jegens wie in een quasi laconieke setting een verregaande tederheid aan de dag wordt gelegd.

De toon is vaak zeer licht, absurdistisch haast, maar met een niet mis te vatten emotionele diepgang, waarbij het geluid van de schreeuw, van de pijn lijkt uitgezet, maar dat resoneert wel degelijk in het oor van de lezer: ‘Je kunt mij gerust / nog zo’n vraag stellen / waarmee ik niets beters kan / dan zo’n antwoord geven / dat mijzelf laat huilen.’ De haast ontroerende kwetsbaarheid, naïviteit soms, is ook een motief van Wijnbergs poëzie. De in indirecte rede gestelde uitspraken in zijn gedichten zijn nooit apodictisch, maar maken die ze uitspreekt eerder kwetsbaar. Wie ze voor zijn rekening neemt is niet altijd duidelijk, laat staan dat helder is waar de uitspraak ophoudt. ‘Als ik ’s ochtends iets doe / is het alsof / ik het ook ’s nachts gedaan heb / omgekeerd is het niet altijd zo / soms wel.’ Die toevoeging ‘soms wel’ ontroert door zijn bescheidenheid. Met de woordgevoeligheid van deze dichter zit het wel goed. Wijnbergs gedichten lijken haast achteloos te zijn ontstaan, maar niets is minder waar: aan ieder gedicht is een flink aantal kladversies voorafgegaan. Deze dichter is niet van het soort dat zijn verzen aus einem Guss over het papier uitstort. Wanneer men bedenkt dat Nachoem Wijnberg in zijn werkzame leven hoogleraar economie is, en gegeven de royale omvang van Als ik als eerste aankom mag men gerust van een productieve dichter spreken.

Hoog tijd voor het citeren van een compleet gedicht:

Katten en honden

‘In een kleine stad
ben je geboren
en ze zeggen tegen je:
het is een kleine stad hier.

Als iemand hier
in een oude auto rijdt
met een open dak dat niet meer dicht kan
is hij de enige.

Maar er zijn er zoveel
die iets als enige doen,
je bent een hele dag bezig
als je ze een voor een optelt.

Vroeger dacht je
dat je liever met een kat dan een hond was,
nu merk je dat je graag hebt
dat een hond naast je komt zitten.

Je bent zo groot
geworden en dit is
wat ze tegen je zeggen:
we dachten niet dat je zo groot zou worden.

Neem iets wat klein is
en maak het groot
alsof dat genoeg was
om er iets over te zeggen.

Zodat je de beloning kan krijgen
die iemand krijgt
als hij iets zegt
waar lang geleden om gevraagd is.

Beste wereldreiziger.
wat verwachtte je dan,
de winkels zijn dicht
omdat het avond is.

Het is avond
en je ligt op je rug
in je zwarte pak
op een bank op een plein

In het Engels zeggen ze:
het regent katten en honden
en het is midden in de zomer
en je bent toch ook geboren in de zomer.’

Wie het leest kan zijn eventuele onbegrip onmogelijk wijten aan moeilijke of vage woorden, want daarvan is Wijnbergs poëzie altijd verschoond gebleven. Maar om de taal zo simpel te houden en het gedicht ermee zo soepel en lenig te laten overkomen, zonder dat het als een schuimkraag in elkaar gaat zakken, het kan niet anders of de dichter beschikt over een feilloos gevoel voor het juiste woord. Enkele woorden als ‘katten’, ‘honden’ – had Wijnberg in een vorige bundel niet het samen zwemmen met een kat als ideaal, nu lijkt hij opeens een hondenman – ‘groot’, ‘klein’, ‘geboren’ keren verderop terug. Ook is er bij herhaling sprake van dat er iets tegen iemand gezegd is. (vier maal ‘iets’ in een gedicht). Een strofe als: ‘Neem iets wat klein is / en maak het groot / alsof dat genoeg was / om er iets over te zeggen.’ demonstreert hoe ondankbaar het is iets ‘zinnigs’ over zulke poëzie te mogen zeggen. Maar de strofe is evenwel typisch Wijnberg omdat twee elkaar uitsluitende begrippen ‘klein’ en ‘groot’ tegen elkaar worden uitgespeeld. Maar dan komt er pardoes een zin overheen ‘alsof dat genoeg was / om er iets over te zeggen’ die de schijn van een verklaring heeft, maar in werkelijkheid ieder verband tussen beide tenietdoet. Kan het poëticaal geduid worden? Tegen wie heeft de dichter het hier? Tegen de wereldreiziger? Praat hij tegen zichzelf? Vragen die onbeantwoord blijven. En wat zou je met een antwoord opgeschoten zijn? Want tussen deze woorden wordt schijnbaar een logische draad gespannen waar geen begrip tegen opgewassen is. Maar waarom zou je deze poëzie willen begrijpen als je haar ook mooi kunt vinden?

Het is alsof de dichter wil zeggen: ‘Dit is mijn gedicht en daar zult u het mee moeten doen’.

De meeste gedichten treffen direct. Slechts een enkel gedicht bijvoorbeeld Gratis (dat zo begint: ‘Betaald voor wat ook gratis gedaan was / en als niet, was het niet / nodig geweest.’ en waarin een op de wc zittende hogepriester voorbijkomt en dat zo eindigt: ‘Ik weet veel van wat niet van de hemel is, / dat heb ik allemaal op de wc geleerd.’) kon mij niet bekoren.

In dit gedicht wilden de woorden zich niet loszingen van hun betekenis. Alsof ze de schijnbewegingen van de dichter ditmaal hadden doorzien.

Maar hoeveel moois blijft er over! De lezer van deze bundel zal het zo vergaan als de ‘ik’ in het korte slotgedicht Een nacht

‘Ik kwam door de voordeur naar binnen,
sliep een nacht in een goed bed,
’s ochtends door de achterdeur naar buiten,
zag het water van de grote vijver,
ik wist niet dat dit er was.’

Mocht het tot een herdruk van deze bundel komen, dan zou de uitgever zonder gêne op de achterflap kunnen zetten dat Wijnberg met Als ik als eerste aankom een nieuw poëtisch hoogtepunt in zijn dichterlijk oeuvre tot stand heeft gebracht.

 

Als ik als eerste aankom

Auteur: Nachoem M. Wijnberg
Verschenen bij: Uitgeverij Contact
Aantal pagina’s: 80
Prijs: € 21,95

Neem iets wat klein is en maak het groot
ISBN: 9789025437619

Meer van :

17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars

Recent

13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele
9 november 2017

Verlangen in vele variaties

Over 'Het raadsel van de liefde' van Andre Aciman
8 november 2017

Biografie Herman de Coninck gedicteerd door De Coninck zelf

Over 'Toen met een lijst van nu errond' van Thomas Eyskens
7 november 2017

De dreiging van het duister

Over 'Wol' van Aart Taminiau
6 november 2017

Het licht gaat uit

Over 'Laatste dagen op Ellis Island' van Gaëlle Josse

Verwant