Het blijft maar warm in Spanje. Niet de aangename warmte waar je in mei nog blij van wordt, niet de warmte van een avond waarop je met blote benen buiten zit en denkt: hiervoor ben ik naar Spanje gekomen. Dit is warmte die nergens meer naartoe kan. Die ’s nachts in de muren blijft zitten en ’s ochtends alweer op je wacht. De luiken blijven overdag dicht, het glas van de ramen voelt heet aan en zelfs de schaduw lijkt geen echte verkoeling meer te bieden. Ik verlang naar kou. Naar een jas die je aantrekt voordat je naar buiten gaat, naar koude lucht die je longen binnenkomt, naar regen die niet onmiddellijk verdampt op de stoep.
Afgelopen week, toen ik voor een routinecontrole in het ziekenhuis was, zag ik iemand met Natte sneeuw van Stig Dagerman in zijn handen. Een van mijn favoriete verhalenbundels. Ik herkende de titel meteen en bleef er even naar kijken. Het was vreemd om juist daar dat boek tegen te komen, in een ziekenhuis waar de airconditioning de kamers koel hield terwijl buiten de hitte lag. Ik had het boek zelf in juni gelezen en gerecenseerd, maar nu ik hier, maanden later, nog steeds in die warmte zit, bleef de titel bij me terugkomen.
Natte sneeuw gaat natuurlijk niet over warmte, integendeel. De kou bij Dagerman is vaak verbonden met afstand: tussen mensen, tussen wat iemand voelt en wat hij kan zeggen. In het verhaal Nachtspelletjes probeert de kleine Åke zich tegen zijn vader te beschermen door te spelen dat hij kan verdwijnen. Het is een spel, maar je voelt hoe serieus die behoefte voor hem is. Als hij niet gezien wordt, kan hij misschien ontsnappen aan wat hem bang maakt. Ik moest daar in het ziekenhuis opnieuw aan denken. Niet omdat de hitte iets met Åkes angst te maken heeft, maar omdat ik de afgelopen maanden zelf steeds vaker verlang naar een plek waar niets van me gevraagd wordt. Een koele kamer, de luiken dicht, niemand die iets van je wil. Niet hoeven bewegen, antwoorden, functioneren. Even verdwijnen zonder werkelijk weg te hoeven.
Naarmate de zomer langer aanhoudt, wordt dat verlangen steeds lichamelijker. Ik wil weer weten hoe het voelt om rillend buiten te staan, mijn handen om een warme kop thee vouwen, regen tegen de ramen horen terwijl ik binnen zit. Ik mis de vanzelfsprekendheid van kou. Je trekt een jas aan als je naar buiten gaat en doet hem weer uit als je thuiskomt. Je kunt een raam sluiten. Je kunt onder een deken kruipen. In de hitte lijkt de tijd te vertragen. De dag duurt lang en de nacht brengt nauwelijks verkoeling.
Dat is ook wat me in Natte sneeuw zo aantrekt: de mensen in Dagermans verhalen zijn vaak dicht bij elkaar en toch blijft er iets tussen hen in staan. Ze kunnen elkaar nodig hebben en elkaar tegelijkertijd niet bereiken. Ze zoeken naar manieren om zichzelf te beschermen, soms door te zwijgen, soms door zich terug te trekken. Die afstand voelt voor mij nu anders dan toen ik het boek in juni las. Misschien omdat ik inmiddels weet hoe het is om naar een andere temperatuur te verlangen, naar een andere ruimte, naar een paar uur waarin de wereld even minder nadrukkelijk aanwezig is.
Buiten rijdt een scooter door de straat. Er klinkt gelach vanaf een terras. Iemand schuift een stoel over de tegels. Ik denk aan het boek dat ik in juni las en vorige week in het ziekenhuis opnieuw zag. Vreemd hoe een titel zich aan een moment kan hechten. Natte sneeuw. Ooit alleen de naam van een boek, nu ook het beeld van iets waar ik naar verlang: koude lucht, natte straten, een jas om mijn lichaam. Het wordt donker. Morgen staat de zon weer op de luiken. Ik denk aan sneeuw.

Anna Husson is recensent bij verschillende media. Tweemaandelijks schrijft ze voor Literair Nederland een column over haar bevindingen met literatuur.












