Nalatenschap

Toen ik bij de bibliotheek van Muziek Groep Nederland werkte, zat er  op een dag een rijzige, grijze dame een stapeltje partituren te bekijken. Ik vroeg nieuwsgierig aan een collega of hij  wist wie dit was. Zij bleek een componist te zijn die zat te jureren voor een compositiewedstrijd. Ik kende haar naam, omdat we haar composities uitgaven als bladmuziek en als uitvoeringen op compact disc.
Niet lang daarna ontvingen we het bericht dat zij was overleden. Haar laatste wil was, zo deelde haar partner per brief mee, dat wij alles wat met haar composities te maken had, vernietigd moest worden.  De afdrukken van haar werk in de bibliotheek, opnamen in het geluidsarchief, foto’s in het fotoarchief, recensies in de componisten documentatie en ga zo maar door. Een grote en vooral droevige bezigheid. Het kwam in niemand op om de rol van Max Brod op zich te nemen, die de handschriften van Franz Kafka tegen diens wil, voor het nageslacht bewaarde.

Toch zijn de documenten op een of andere manier ‘gered’ en worden allemaal bewaard bij het Nederlandse Muziek Instituut in Den Haag. Ze zijn prachtig om te zien, zo mooi gekalligrafeerd. Het zijn geen zogenaamde grafische partituren, maar het komt wel in de buurt. Je zou het ogenmuziek kunnen noemen.
Tijdens een orgelconcert in de Haarlemse Grote- of St. Bavokerk afgelopen zomer, moest ik er opeens aan denken. Organist Theo Jellema, die ik uit mijn Friese tijd ken, speelde er onder meer de Poème en forme d’une improvisation die Rolande Falcinelli – een Franse componist, organist van de Parijse Sacré-Coeur – schreef naar aanleiding van haar verloving, in 1953. Jellema vertelde in het hoogkoor ter inleiding dat alle werken van Falcinelli tijdens haar leven waren uitgegeven, behalve dit ene stuk dat zij, nadat haar verloving was verbroken, had achtergehouden.

Na haar dood in 2006 werd het in haar nalatenschap gevonden en alsnog gepubliceerd. Een heidens moeilijk stuk, begreep ik. Net zoals het werk van de rijzige, grijze dame bekend stond als moeilijk.
Je kunt stellen, dat het dankzij Max Brod is dat we Kafka’s werk hebben leren kennen, maar dat het wél verwerpelijk is dat hij in diens teksten heeft huisgehouden. Misschien was dat de angst van de componist wier werk wij moesten vernietigen: dat als ze niet meer was, zij niets meer kon verduidelijken over de uitvoering van haar hondsmoeilijke werk. Falcinelli had daar minder problemen mee, gezien het feit dat er al zo’n tachtig stukken van haar op de markt waren en haar stijl inmiddels wel bekend was. Daarom rest alleen het op z’n tijd met respect uitspreken van de naam van die rijzige, grijze dame: Margriet Hoenderdos. Haar naam houdt de herinnering aan haar levend. En inherent daaraan ook aan haar muziek.

 


Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw en schrijft daarover in haar columns.