4 september 2012

Naar de daken – Bernard Wesseling

Een dichter die je kunt vertrouwen

Recensie door Jaap M. Jansen

Soms hoef je maar één gedicht van iemand te lezen, om er achter te komen dat hij of zij een meesterdichter is. Natuurlijk, smaken verschillen; waar de één Faverey roemt, dweept de ander met Oosterhoff. Maar wanneer is iemand eigenlijk een meesterdichter? Dat is een interessante vraag, zowel voor poëziefanatici als voor huidige en toekomstige dichters. Bernard Wesselings jongste dichtbundel Naar de daken biedt hiertoe uitstekende onderzoeksmaterie. Bernard Wesseling en de Zoektocht naar de Meesterdichter.

‘Een dichter is een taalatleet/ die alle woorden die hij weet/ zo aan elkaar kan rijgen/ dat jij ervan gaat zwijgen’, zo definieert kinderboekenschrijfster Johanna Kruit in haar gedicht ‘Een dichter’ het eerbiedwaardige beroep van poëet. Spelen met taal dus! Acrobatische zinnen, zonderlinge woordkeuzes… Wie heeft niet wel eens die (op z’n zachtst gezegd) vreemde gedichten van de Amerikaan E.E. Cummings gelezen? En Cummings is een meesterdichter, a Master Poet, want hij heeft dat fabuleuze ‘anyone lived in a pretty how town’ geschreven. En hier in Nederland kennen we ze ook: Paul van Ostaijen bijvoorbeeld (‘Slinger/ Singer/ naaimasjien/ Hoort/ Hoort/ Floris Jespers heeft een Singernaaimasjien gekocht’), of Lucebert, of zelfs Marten Toonder.

Hoe zit dat met Bernard Wesseling? Op eerste gezicht steekt hij wat ‘saai’ af tegen bovengenoemde personen. Geen ellenlange herhalingen, geen merkwaardige syntaxis, maar ‘gewone’ zinnen die veelal volkomen begrijpelijk zijn. Maar mevrouw Kruit bedoelt meer met bovenstaand citaat. Neem nou een regel als deze: ‘Je had me van de week voor de spiegel moeten zien:/ alarmerend ontwapenend stond ik daar.’ Als je erover nadenkt, besef je pas hoe knap zo’n formulering in elkaar steekt. Vooral dat ‘alarmerend ontwapenend’ is heel goed gevonden. Wij zouden het maar omslachtig beschrijven, met zinnen en bijzinnen en bijbijzinnen. Wesseling kan het in zestien woorden. Een meesterdichter dus? Volgens schrijver Theo Monkhorst, in een interview met het Meandermagazine, is een dichter echter ‘iemand die opschrijft wat hij niet weet’. Dat is wel even wat anders dan de ‘taalatleet’ van mevrouw Kruit. Hier geen romantische figuur maar een beroep voor mensen met een socratische bescheidenheid. Opschrijven wat je niet weet – hoe doe je dat? Hardop twijfelen, mijmeren? Pretenderen dat je wel wat weet? Wesseling schrijft zinnen als ‘Wie met zijn angsten hokt, kan niet laf zijn.’ Daar lijkt weinig onwetendheid in te schuilen in.

Doch misschien zitten we wel helemaal op het verkeerde spoor. Het is maar de vraag of de kwaliteiten van de ‘grote’ dichters als voorwaarden voor een meesterdichterschap moeten gelden. Valt een goed dichter te onderscheiden op grond van een kort lijstje met regeltjes? Zouden we Wesselings Naar de daken aan zulk een ‘onderzoek’ onderwerpen, dan komt hij er maar matig van af. Vormvast à la Ida Gerhardt en Gerrit Achterberg? Nee. Gebruik van ready-mades, zoals door K. Michel? Nee. Actueel als Willem Elsschot? Nauwelijks.
Wat er allemaal wél in de bundel zit, valt minder goed in een traditionele analyse te vatten. Humor, ja, dat zit er wel in. Met name de gedichten ‘Etiquette voor een sterveling’ en ‘Etiquette voor een toekomstige nabestaande’ zijn bij vlagen echt komisch. Op andere momenten wisselt deze humor af met een melancholische noot: zo vindt een zevenjarige ik-figuur onder in de door hem zo begeerde piratenboot ‘een ontredderde bouwvakker’. Ditzelfde geldt ook voor ‘Beëlzeblurb’, waarin de ik een praatje maakt met de duivel – een grappig verwoorde situatie, maar met een bitter doel: ‘Ik zei: zorg dat ik vergeet’.

Het thema van de bundel is verlies, en alles wat daarbij komt kijken. Verlies van jezelf, van een dierbare, van het leven. De dichter onderzoekt dit in allerlei verschillende settings: een herinnering aan de kindertijd, een ontmoeting met zigeuners, een bezoekje aan een Bijbelkiosk. Dat dit breekt met de vaak programmatische en te allen tijde zo ongrijpbaar mogelijke poëzie van de postmodernisten, is voor Wesseling geen geheim. In het titelgedicht schrijft hij dan ook: ‘Naar de daken ja! En dan maar wachten tot morgen de luchten/ van postmodern blauw – het oude grijs – naar een trouwer blauw/ verschieten’.
We moeten de dichter weer kunnen vertrouwen, en dat maakt Wesseling meer dan waar. De poëzie in Naar de daken valt te begrijpen, en dat is beter dan duizend metaforen en modernistische woordspelingen bij elkaar. Het leest uitermate gemakkelijk weg – en dat is heel bijzonder voor een hedendaagse dichtbundel. Het zijn gedichten die je als poëzieliefhebber aan de ongeïnteresseerde buitenwereld durft te laten zien: kijk maar, lees maar, het is niet altijd zo moeilijk. En daar schuilt Wesselings meesterschap. Hij schrijft werk dat boeiend is voor de doorgewinterde gedichtenwurm én voor de incidentele lezer, zonder aan taalkracht of diepgang in te boeten. En dat is knap.

 

 

Naar de daken
Bernard Wesseling
Verschenen bij: Singel Uitgeverijen
ISBN: 9789021442150
64 pagina's
Prijs: € 17,95

Meer van Jaap M. Jansen:

22 november 2013

Trans-Atlantisch - Colum McCann

Over 'Trans-Atlantisch' van Colum McCann
7 november 2013

Kinderlijke onschuld en onwetendheid in harde omgeving

Over 'We hebben nieuwe namen nodig' van NoViolet Bulawayo
12 juni 2013

Het geheim van een auteur

Over 'De figuur in het tapijt ' van Daniël Rovers

Recent

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník
7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist

Verwant

4 september 2012

Naar een rustig heenkomen voor de zoekende mens

Over 'Denken op de plaats rust' van Bernard Wesseling