Daphne du Maurier schreef met The Pool een betoverend en subtiel verhaal. Het gaat over Deborah, een meisje op de grens van de puberteit, dat zich in verbinding kan stellen met een magische ‘Lady of the lake’ die haar deelgenoot maakt van alle geheimen van de natuur. Ze logeert met haar vervelende broertje bij hun grootouders, deftige en stijve mensen van wie ze zich niet kan voorstellen dat ze ooit jong geweest zijn. Du Maurier laat Deborah aan het woord in het volgende fragment:

 ‘When people grew old they had so few treats.
“What do you look forward to most in the day? ” she once asked her grandmother.
“Going to bed,” was the reply, “and filling my two hot-water bottles.” Why work through being young, thought Deborah, to this?’

Ik was het altijd met Deborah eens geweest dat een dag toch wel andere traktaties kon bieden. Maar sinds we met de Grote Schoonmaak zijn begonnen, heb ik me aan de kant van de grootmoeder geschaard. De schilders waren gekomen: alle plafonds werden gewit, kozijnen en deuren geschilderd en de vloerbedekking werd vervangen. We sjouwden trap op trap af, elke dag versjouwden we de inboedel naar een andere kamer. We pakten al mijn boeken in dozen en vulden daarmee de garage tot de nok. 

De vierde dag viel ik ruggelings achterover de trap af toen ik hielp om spullen naar boven te dragen. Niks gebroken, wel helemaal bont en blauw. Alles deed zeer en de dokter zei dat dat zeker nog wel zes weken zo zou blijven. Vooral in beweging blijven, was zijn advies. Dus sleepte ik mijn loden lijf moeizaam de dagen door met als enig verlangen om het ’s avonds geradbraakt op bed neer te leggen. Het was vreemd te merken hoe snel er nog maar weinig was dat er toe deed, hoe groot ‘het gemak waarmee alles in ballast veranderde’, zoals Wiljan van den Akker zegt in zijn gedicht De tocht. Alles waarover ik eerst in vervoering kon raken, deed ik nu met een schouderophalen af. Vrolijke of droevige berichten, ze gleden langs me heen als water langs een eend. Niets was nog belangrijk, de vlijmende pijn in mijn lijf verschoof mijn focus die zich uitsluitend op het einde van de dag richtte, wanneer ik voorzichtig kon gaan liggen. Dan ervoer ik een gevoel van puur, eenvoudig geluk zoals dat waarover Garmt Stuiveling dichtte:

 XIV

Nu de grote dingen verdwijnen
worden de kleine dingen groot:
wat zonlicht op de gordijnen,
een appel, een snee vers brood.
 
Met hoeveel overbodigs
maken we ons leven stuk:
er is zo weinig nodig
voor wat eenvoudig geluk.
 
Zó zou ik oud willen wezen,
klein bij de grote dood:
Homerus om in te lezen,
een appel, een snee vers brood.

Deborahs grootmoeder en ik, wij kennen het geheim van het kleine geluk. Er hoort nog een bed in het gedicht genoemd te worden, een bed om simpelweg op te liggen. Alleen die kruiken, die hoeven van mij niet.

 

 

(Uit: Eeuwig gaat voor ogenblik / Garmt Stuiveling / Meulenhoff (1965)


Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

Meer van Hettie Marzak: