Moraliteit van een boom

Michael Powers is een Amerikaanse schrijver die praat als een evangelische dominee, langzaam, gedragen en met een zalvende intonatie. Zijn boodschap is eveneens evangelisch. Hij verspreidt het geloof in het respect voor de aarde. In een interview over zijn boek The overstory, naar het Nederlands vertaald als Tot in de hemel, tijdens het Crossing Border festival in Den Haag, vertelt hij dat hij de lezer het perspectief wil meegeven van wezens die de aarde veel langer bewonen dan mensen: bomen. Hij is blij dat er steeds meer boeken verschijnen die gaan over ‘iets groters dan mensen die niet goed met elkaar kunnen opschieten in hun huis’. Ook is hij anders gaan denken over moraliteit in boeken. Literaire boeken zijn meestal moreel ambigu: de slechterik is nooit helemaal fout; de goedzak nooit helemaal goed; de waarheid over wat juist is zweeft tussen de extremen. Terwijl er vanuit het perspectief van bomen wél een meer absolute morele waarheid te vinden is. Bomen vertellen ons wat juist is. En wat de mensen op dit moment doen met de bomen, is niet juist.

Net als bij evangelische dominees vind ik de beweringen van Powers voor de helft inspirerend en voor de andere helft betwijfelbaar. Ten eerste wat betreft morele waarheden in literaire romans die geen bomenperspectief hanteren. Klopt het dat dit soort romans ons niets willen vertellen over wat juist is? Ik neem even de klassieker To Kill a Mockingbird van Harper Lee, die ik nu aan het lezen ben. Vanuit verschillende perspectieven zijn verschillende dingen juist. De vader van de vertelster vindt het onjuist een zwarte man te veroordelen voor iets wat hij niet heeft gedaan. Zijn dorpsgenoten vinden het onjuist deze zwarte man te verdedigen. De morele ambiguïteit zit er misschien in dat je al lezend ook begrip krijgt voor die dorpsgenoten. Maar dat betekent niet dat de roman geen beroep doet op de lezer om een bepaald moreel oordeel, namelijk dat van de vader, als juist aan te nemen. Ook zonder bomen kan een roman een morele waarheid tonen. In een verhaal waarin mensen schade toebrengen aan bomen, kan het perspectief van de boom daar misschien wel een ander licht op werpen. Maar of dat een absoluter licht is, weet ik niet.

Ten tweede: waarom het perspectief van bomen genomen, en niet dat van iets nog groters, zoals het heelal waarin we leven? Het heelal staat waarschijnlijk onverschillig tegenover het leven en de vraag of dit langzaam of wat sneller van de planeet zal verdwijnen. Maar bomen zijn wezens waarmee de mensheid de aarde deelt, en onderdeel van ecosystemen die van belang zijn voor ons overleven. De keuze voor bomen als moreel ijkpunt verraadt nog steeds een grotere interesse in de belangen van de mens dan in de belangen van waterstof. En dat is niet erg, maar het leidt denk ik niet tot meer absolute morele waarheden. Schrijvers van de voorspelde golf van ecoromans zullen zich hopelijk blijven bedienen van een fijne literaire dosis morele eco-ambiguïteit.

 


Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

Meer van Gerda Blees: