Het gebeurt niet vaak meer, een envelop in de brievenbus met een handgeschreven adressering. Ik raad een boek en dat klopt. Het is de allereerste uitgave van uitgeverij Artistiek Bureau, een fraai uitgegeven boekje waar ik al enkele weken naar verlangde: Grafkrans van Hans Warren. Ongepubliceerde gedichten die Warren schreef vlak na het overlijden van zijn moeder, juni 1951. Toen Ronny Boogaart en ik vijftien jaar geleden een literaire wandelgids door het Zeeland van Hans Warren samenstelden, was het graf van zijn moeder onder het merkteken 174 terug te vinden op de begraafplaats van Borssele. Een onooglijk klein paaltje met een nummer, meer wilde zij niet  – het stond op een steenworp van het graf van Warren die in 2001 overleed, vijftig jaar later. In het nawoord bij Grafkrans, van Mario Molegraaf, lees ik dat het paaltje is verdwenen. Wellicht is het graf geruimd? 

Grafkrans gaat over rouwen, de eerste rouw. ‘Soms vind ik een paar lange zilvren haren/ een jurk die geurt of je hem gister droeg.’ Persoonlijk, zonder opsmuk, over schuldgevoelens, onmacht en schaamte. ‘Ik vraag vergeving – alles deed ’k verkeerd.’ In het laatste gedicht gloort acceptatie, maar lees je nauwkeuriger (of sensitiever) dan is het alsof Warren zichzelf daarvoor moet forceren. Rouw eindigt nu eenmaal niet op bestelling.

Door Grafkrans denk ik aan Warrens roman Demetrios uit 1976, eerder dan aan Geheim dagboek, waarin hij ook over de dood van zijn moeder schreef. Ik las de roman vóór dat dagboekdeel en werd verpletterd  door de sterfscene. Zijn moeder is dan 57 en heeft kanker met uitzaaiingen. ‘Je keek je man aan, je mooie gezicht was in een paar maanden tijd volkomen verwoest, je ogen waren troebel van de medicamenten, je zei: “Vóór ik doodga wil ik nog één keer in je armen staan. Stáán, rechtop.” En jij, die al in weken niet meer gestaan of gelopen had, probeerde op te staan. (…) Zo stond je, hing je, een poosje rechtop in zijn armen. Je voeten stonden eigenlijk niet eens goed op de vloer, ze gleden steeds verder weg.’

Waar Demetrios over ging, ik vergat het grotendeels, maar de twee bladzijden over het sterfbed van zijn moeder zijn in mijn geheugen vastgezet. Ik maak me geen illusies, Warrens woorden appelleerden vooral aan mijn eigen angst. Dat mijn moeder zou sterven hing door alle ziektes die zij kreeg en operaties die zij onderging sinds mijn kinderjaren in de lucht. Jaarlijks waren er momenten van paniek en stress en werd haar einde aangekondigd. Soms, als ik op de vaste telefoonlijn word gebeld, denk ik, het is zover en voel de spanning in mijn lijf  –  hoewel mijn moeder nu ruim twee jaar dood is. Terwijl ik dit schrijf, komt er een appje binnen, word ik afgeleid en swipe gedachteloos door naar de foto’s die mijn IPhone voor vandaag heeft geselecteerd uit mijn archief van duizenden: de eerste foto is een portret van mijn moeder, twee dagen voor haar overlijden. Ze ligt op bed, ik zit naast haar. Toeval? Eentje uit de categorie ‘betekenisvol toeval’. Er lijkt een samenhang te zijn die je zelf ervaart, maar die voor een buitenstaander vaak onzinnig is. Morgen is het Moederdag.

 

 


Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter, recensent en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn romandebuut De wensvader  (uitg. kleine Uil). In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.