30 december 2009

Misschien viel Hofmans nog het minste te verwijten?

door Wil van Basten-Malipaard

Historicus prof. Cees Fasseur (1938) heeft verscheidene publicaties over de Nederlands-Indische geschiedenis op zijn naam staan maar is vooral bekend geworden  door zijn tweedelige biografie over Koningin Wilhelmina. De Wilhelmina-biografie is dan ook voor Fasseur de inspiratie om een studie te maken over het leven van Juliana en Bernhard. Hij kiest voor de periode 1936-1956 omdat dit de meest bewogen episode vormt uit het verhaal van hun lange huwelijk en diep in hun persoonlijk leven heeft ingegrepen.

Voor het schrijven van deze indringende dubbelbiografie baseert Fasseur zich op het Koninklijk Huisarchief, met inbegrip van de door de commissie Beel verzamelde dossiers en de tekst van het rapport van dit driemanschap. En dat was heel veel! Kilometers geschreven materiaal in de vorm van brieven, notities, memoranda, familiepapieren, krantenartikelen, dagboekaantekeningen, herinneringen, kattebelletjes, grafologische analyses, etc. En dan nog te bedenken dat de dagboeken van Juliana volgens haar testamentaire beschikking, niet vóór 2054 mogen worden geraadpleegd. Fasseur is de eerste en voorlopig de enige die toegang heeft gekregen tot het Koninklijk Huisarchief, het privédomein van de Koninklijke familie. Dit feit zorgt al sinds de eerste druk van Juliana & Bernhard, eind 2008, voor heftige discussies.

Deze twintig  jaar trieste huwelijksgeschiedenis van Juliana en Bernhard wordt beschreven in drie lijvige delen.

  • Deel 1: ‘De Opmaat’: de kennismaking, het huwelijk, de oorlogsjaren, de ‘goede’ Bernhard tijdens de oorlog, de oogafwijking van prinses Marijke, gezien als  aanleiding tot het zevenjarig durend conflict, beter bekend als ‘de Greet Hofmans-affaire’ ? 1948-1956.
  • Deel 2: ‘Het Conflic’: de hoofdrol van gebedsgenezeres Greet Hofmans als doorgeefster, de invloed van de Hofmansadepten in de hofhouding van Juliana, de ‘slechte’ Bernhard van na de oorlog, de escalatie en de rol van de buitenlandse pers tot de mogelijke oplossing van het conflict.
  • Deel 3: ‘De Ontknoping’: de door o.a. de commissie Beel voorgestelde maatregelen die noodzakelijk waren om de vrede in het koninklijk gezin en Nederland weer te waarborgen. De ‘Afwikkeling’ zou wellicht een betere titel van dit hoofdstuk zijn geweest. Het woord ‘Ontknoping’ doet m.i. te veel denken aan een onverwachte afloop van een spannende roman of toneelstuk. Misschien moet er wel gewacht worden tot 2054 voor een dergelijke ontknoping!
  • In het laatste hoofdstuk ‘Terugblik’ lezen we in elf bladzijden de samenvatting van deze drie delen met een vooruitblik naar wat wij daarna tot en met nu (menen te) weten over Juliana en Bernhard.

Het is evident dat Cees Fasseur antwoorden heeft proberen te vinden op eigenlijk maar een hoofdvraag. Dé grote vraag. Het grote WAAROM? In het volgend citaat verwoordt Fasseur deze prangende vraag en geeft daarna mogelijke redenen. Blz. 290:  …waarom Juliana zich zo liet leiden door een vrouw (Greet Hofmans) die als een destructieve kracht op haar huwelijk inwerkte, de gezinsverhoudingen ontwrichtte en kennelijk een eigen agenda voerde. Kwam het door het verdriet om Marijke, een verdriet waarmee zij elke dag opnieuw werd geconfronteerd? Lag het aan de spanningen in haar huwelijk, haar werk en de toestand in de wereld die haar ongelukkig en onzeker maakten? Was het de wens om zich te conformeren aan haar Baarnse kring van vriendinnen die zich in hun dagelijkse leven eveneens naar Hofmans’ wenken en doorgevingen richtten? Was het de voor ons niet meer na te voelen fascinatie  voor een vrouw aan wie bovennatuurlijke gaven en krachten werden toegeschreven, maar die tegelijkertijd ook weer zo ‘gewoon’ was? Of hing het geloof in “Boven” samen met Juliana’s aanleg en karakter? (…) Mensen die haar goed meenden te kennen, (…), wierpen het op haar toegeschreven ernstig minderwaardigheidscomplex. Ze had zich altijd de mindere gevoeld van haar moeder en aanvankelijk ook van haar man. De paradoxaal klinkende conclusie ligt voor de hand dat zij zo sterk afhankelijk van Hofmans werd, omdat deze haar zekerheid en zelfvertrouwen schonk.”

Dit lange citaat is m.i. de samenvatting, de leidraad die Cees Fasseur heeft gevolgd voor zijn onderzoek voor het schrijven van deze dubbelbiografie.Tot een openbaring komt het echter niet. Er is geen ontknoping.
Door zich dan weer bladzijdenlang te richten op Juliana, dan weer bladzijdenlang op Bernhard of op andere voor hen belangrijke personen lukt het Fasseur niet altijd een chronologische volgorde aan te houden. En gaat de lezer wat heen en weer. Soms zijn er zelfs grote schommelingen in de tijd die als feedback dienen (bv. de langere flashbacks naar vroegere tijden (koningin Emma) en nogal eens wordt er een vooruitblik naar het heden geworpen).

Blz. 319 over Bernhard: ‘Met zijn gebruikelijke openhartigheid, die hem zelfs zou overleven, had de prins zijn verhaal in het voorjaar van 1952 gedaan aan de Amerikaanse journalist (…)’.’Daar school natuurlijk ook berekening in’, suggereert Fasseur. En hij besluit deze alinea met nog een flash forward: ‘Toch zou publicatie dertig jaar op zich laten wachten’. Dankzij de herhalingen en doublures in de tekst is het alleszins mogelijk om niet het gehele boek  te lezen maar je te beperken tot enkele capita selecta.

Met een grote regelmaat lezen wij bv. vanuit verschillende invalshoeken over de (genetisch bepaalde!?) driftbuien en het minderwaardigheidscomplex van Juliana. Een paar voorbeelden ter illustratie daarvan. Op blz. 29 schrijft Fasseur: ‘Evenals haar moeder had zij last van onverwacht  opkomende driftbuien die, hoewel doorgaans weer even snel verdwenen als vergeten, haar omgeving telkens eraan herinneren dat zij juist niet gewoon was.’ Op blz. 114 schrijft Bernhard in een brief van 22-27 november 1942 aan Juliana: ‘Het was reuze aardig deze keer en ik moet je toch niet mijn vaderlijke lof verzwijgen over je uiterlijk en ook dat je deze keer helemaal geen “uitbarsting” had? dat maakte het dubbel gezellig en aardig…’ Van Hamel  (na de commissie Beel, de vierde wijze man en mediator  in het ‘Soestdijk-conflict’)  schrijft op blz. 427-28: ‘De beste behandelaar van de koningin was zijns inziens de prins ? en hun kinderen niet te vergeten. Gemakkelijk werd het hun echter niet gemaakt door de “ontzettende driftbuien” van Juliana, die zij tien minuten later weer vergeten was’.

De interventies van de schrijver gaan van mild kritisch tot onverbloemd kritisch. Zijn vele ironische en suggestieve opmerkingen, zijn uitleg, te pas en te onpas, hebben zeker een toegevoegde waarde. Over de driftbuien van Juliana suggereert  Fasseur dat ‘die driftbuien mede het gevolg zullen zijn geweest van haar opvoeding als enig kind’.
Over de persoonlijk kamerheer van Juliana, mr. dr. I.G. van Maasdijk schrijft Fasseur op blz. 149 dat in de hele paleisaffaire, waarvan Greet Hofmans in de jaren 1948-1956 het middelpunt vormde, een prominente rol voor Van Maasdijk was weggelegd. O.a. op blz. 216 geeft Fasseur duidelijk zijn mening over deze rol: ‘Zij had er beter aan gedaan definitief met hem te breken. Nu behield hij, daarin gesteund door zijn vrouw, de gelegenheid Juliana op te zetten tegen haar echtgenoot  (…)’. En hij vervolgt op de volgende blz. ‘Het zal je kamerheer (of diens vrouw maar wezen. Brieven en adviezen als deze moesten wel een funest effect hebben op de harmonie in het door Bernhards gedrag toch al verstoorde huwelijk (…)’.

Ook haar particulier secretaris, Walraven van Heeckeren, komt er bij herhaling niet goed vanaf. Op blz. 276 stelt Fasseur: ‘In het voetspoor van Van Maasdijk, met wie hij in vriendschappelijke betrekking bleef staan, begon hij zich hoe langer hoe sterker als de beschermer van de koningin op te werpen tegen de listen en lagen van haar eigengereide echtgenoot’.  Op blz. 429-430 ‘bevestigt’ Drees (in 1956) deze stelling: ‘Drees rekende Van Heeckeren, als overbrenger van de boodschappen van Hofmans samen met Van Maasdijk tot “de kwade krachten” voor het gezinsleven van koningin en prins. Er was een onhoudbare toestand ontstaan. Secretaris en kamerheer moesten daarom beiden van het hof worden verwijderd.’

Maar het hoofdbestanddeel zijn toch de vele, vele citaten uit de diverse correspondenties die een waarheidsgetrouw beeld vormen of in hoge mate suggereren. Daarnaast geven ze een inzicht in de zeden, gewoonten en geestelijk klimaat van die tijd. Op blz. 101 schrijft Juliana in haar reisverslag (1941) over haar bezoek aan de Roosevelts: ‘Het zijn mensen met tact en van goeden huize, ze doen niet overdreven “gewoon”…  De gedienstigen zijn negers met aardige, pientere gezichten.’
De lezer krijgt dus een goed beeld van de dertiger tot en met vijftiger jaren, visueel versterkt  door de fotokaternen en de foto’s die een enkele keer wel erg willekeurig in de tekst zijn geplaatst en soms geen direct verband hebben met de context. Op blz. 248 bv. waar een wintersportvakantie foto staat van de vier prinsessen middenin een tekst over het organiseren van een eerste geestelijke vredesconferentie in 1951.

Het is opmerkelijk dat er zoveel gecorrespondeerd werd met elkaar in die tijd en dat zoveel correspondentie bewaard is gebleven.  De pennenvruchten van Bernhard hebben vooral grote historische invloed gehad. Bernhard meldt zichzelf aan als huwelijkskandidaat voor Juliana. Blz. 35 e.v. beschrijven hoe Bernhard langs verschillende wegen contact heeft gezocht met het Nederlandse hof ter voorbereiding van een ontmoeting met Juliana.

Greet Hofmans biedt op 28 april 1948 middels ‘een wonderlijk epistel’ haar diensten aan als gebedsgenezeres. In eerste instantie werd dit verzoek afgedaan met een ‘standaardbriefje’ door de particulier secretaresse. Maar Hofmans zou het er niet bij laten zitten. En het was ook Bernhard die Greet Hofmans eind 1948 in ‘huis’ haalde op voorspraak van een aantal van haar sympathisanten. Het was ook prins Bernhard die de impasse, door Hofmans ontstaan, doorbrak en als enige redmiddel in zijn ogen de publiciteit van de invloedrijke buitenlandse media zocht door middel van zijn netwerk en aldus het conflict naar buiten bracht.

De grafologische analyses waarin zowel Juliana als Bernhard geloofden zijn verhelderend en belangrijk en kunnen in deze dubbelbiografie echt niet ontbreken. Juliana heeft bv. ook de hulp van een amateurgrafologe ingeroepen om te weten of zij met Bernhard de ware Jacob had gevonden na er zo lang en tevergeefs  naar gezocht te hebben (blz. 41).

Het tweede deel Het Conflict is uiteindelijk ‘la pièce de résistance’ – het belangrijkste deel voor Fasseur. De uitwerking  van de vragen en redenen  waarom hij deze dubbelbiografie heeft geschreven. Door het lezen van de vele brieven, citaten, ‘doorgevingen’ van Greet Hofmans, die zoals zijzelf zegt ‘het contactsleuteltje’ met Boven was (zij werd door Juliana ‘mijn lieve engel’ genoemd), is de lezer geneigd de conclusie te trekken dat Juliana, hoewel ze dat zelf tegensprak, gemanipuleerd werd, maar niet alleen door Greet Hofmans maar zeker ook door alle Hofmans-adepten om haar heen en in haar hofhouding. Daarmee volgt de lezer de bevindingen van de commissie Beel die het onderzoek heeft gedaan in dit ‘Koninginnedrama’ met Hofmans in de hoofdrol als de ‘Raspoetin’ van Soestdijk. De aanbevelingen van de commissie Beel werden uiteindelijk uitgevoerd. Het was gedaan met de invloed op Soestdijk van de Hofmansgetrouwen.
De wereldvrede werd in 1956 op het nippertje gered; het huwelijk op Soestdijk ook.

Juliana en Bernhard bleven nog 48 jaar bij elkaar tot in 2004 de dood hen scheidde. De eenzaamheid van Juliana tijdens haar hele leven komt heel duidelijk naar voren in veel documenten en wordt door Fasseur nog benadrukt, …zo we daar al over heen konden lezen. Misschien hebben alleen de eerste zes huwelijksjaren haar geluk en onbezorgdheid gebracht. Hoewel ze in de oorlog door haar verblijf in Canada gescheiden van Bernhard leefde en hun huwelijk door de talloze bestellingen die Bernhard deed  ‘hoe langer hoe meer de trekken kreeg van een ‘postorderbedrijf’, zo kunnen we lezen op blz. 115.

Over de prinsessen komen we niet veel te weten. Behalve dat de Kees Boekeschool  in Bilthoven werd ingeruild voor het Baarns’ Lyceum omdat de twee oudsten een leesachterstand zouden hebben en er toch diploma’s behaald moesten worden. En zowel Beatrix als Irene kozen de kant van hun vader in de Hofmans-affaire. Ook prinses Armgard, de moeder van prins Bernhard betekende een vertrouwde haven (paleis Warmelo) voor de beide prinsessen. Dit in tegenstelling tot Het (koude) Loo van koningin/prinses Wilhelmina. Deze voorkeur was eveneens een bron van onenigheid tussen de beide echtelieden.

De liefdesaffaires en amoureuze escapades van Bernhard worden niet uitgebreid besproken en worden door Juliana niet als dramatisch ervaren, althans zij heeft daarvan in haar brieven nooit iets laten blijken. ‘Misschien is het voorbeeld van haar moeder op haar houding van invloed geweest’, stelt Fasseur op blz. 122. ‘In het vorstelijk milieu van de negentiende eeuw was huwelijkstrouw nooit een deugd die sterk werd gecultiveerd. Keus was er voor de mannelijke helft van de in hogere kringen gehuwden doorgaans te over en de vrouwelijke helft had hierin maar te berusten’.

Juliana & Bernhard is een zeer leesbaar en toegankelijk werk. De schrijfstijl van Fasseur is open en spontaan. Op geen enkel moment wordt het boek een dorre opsomming van feiten en gebeurtenissen vergezeld van saai commentaar. Kortom, een geslaagd boek! Een boek dat voortdurend je aandacht vasthoudt. Een aanrader voor die lezers die zich interesseren in geschiedenis en in de geschiedenis van ons koningshuis in het bijzonder.  We komen veel te weten over het hof en Hofmans (what’s in a name?). De brave vaderlandse pers werd in die tijd immers nog overal buiten gehouden.

Misschien was het inderdaad zo, zoals Fasseur concludeert in zijn Terugblik en was ‘Juliana als het ware uit haar tijd gevallen’. Zie blz. 452. En ‘was er bij politici en partijen, met uitzondering dan van de communisten, geen enkel begrip voor de genuanceerde opstelling van de koningin in zaken van oorlog en vrede, voor haar bevlogen, toen als wereldvreemd gezien idealisme’ .

Het laatste woord in deze affaire kwam van Juliana in haar kersttoespraak in 1956: ‘Maar heb ook ik soms het recht niet te trachten mijzelf te zijn’?  en daarmee kom ik terug op het citaat boven deze recensie: ‘Misschien viel Hofmans nog het minste te verwijten’ ? Fasseur op blz. 449.

 

Juliana & Bernhard.Het verhaal van een huwelijk, de jaren 1936-1956
(Heruitgave als paperback)
Aureur: prof. dr. Cees Fasseur
Prijs: € 15,-.
Uitgegeven door: uitgeverij Balans, 2009

Misschien viel Hofmans nog het minste te verwijten?
ISBN: 9789050189552

Meer van :

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník

Recent

7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist
2 augustus 2017

Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

Over 'Nachtschrijver' van Jannie Regnerus
31 juli 2017

Het gitzwarte leven

Over 'Noordwaarts' van Naomi Rebekka Boekwijt
28 juli 2017

Het lot van een niet-joodse jood

Over 'Buster Kafka' van Martin Schouten

Verwant