Mij gaat het om Uria

‘De klemtoon ligt op de i,’ zei mijn collega afgelopen donderdag. Uría. Een naam die ik me toch had moeten herinneren. Hij, Uria, vaak met de toevoeging de Hettiet, speelt een cruciale rol in dat beroemde Bijbelverhaal over geilheid, bedrog en geweld: de liefdesgeschiedenis van koning David en Batseba. Ontelbare keren heb ik het verhaal gehoord en gelezen. Zelfs de billen van Batseba staan me bij, dankzij een filmscene op televisie. Het voyeurisme van de kijker werd bevestigd door de blik van koning David die vanaf een ander dak of vanachter een  open raam toekeek hoe Batseba de ene emmer water na de andere over zich heen gooide. Niet gewend om bloot te zien, werden haar billen voor altijd in mijn geheugen gegrift.

Mijn collega nodigde me uit om in haar dienst het verhaal van David, Batseba en Uria (met de klemtoon op de i dus) voor te lezen. En opeens, onder het lezen, had ik te doen met Uria – het vergeten personage van de drie. Terwijl Batseba baddert, David eerst toekijkt en haar daarna bij hem in het paleis uitnodigt voor een vrijpartij, vecht Uria, zich van geen kwaad bewust, voor zijn koning aan het front. Als Batseba zwanger blijkt, roept David hem terug naar Jeruzalem. Hij hoopt dat Uria zijn verlof bij zijn vrouw doorbrengt, zodat zijn daad en haar overspel verborgen blijven. Maar Uria is zo loyaal, dat hij alle lichamelijke pleziertjes weigert. En dan vindt het grote verraad plaats. David geeft de opdracht bij de komende veldslag Uria in de voorste linies te laten strijden en hem op een geschikt moment in de steek te laten. De opzet lukt, Uria sneuvelt.

Ik moest mijn emoties in bedwang houden toen ik voorlas in die zaal van oude en zieke mensen. Dit was grootse literatuur. Onder de kille feiten schuilt chaos. Er komt nog een vervolg met een profeet en dat het kind van Batseba en David sterft (hun tweede kind wordt koning Salomo), maar dat is in het licht van het korte leven van Uria bijzaak.
Mij gaat het om Uria. Om zijn toewijding, loyaliteit en moed. Om zijn goedgelovigheid: dat anderen – zeker de zogenaamde boven-je-gestelden, zoals koning David – vanuit dezelfde waarden hun leven leiden. Waarden die je eigen individualiteit en kleine, persoonlijke wensen overstijgen. Duizend jaar voor Christus en de klad zat er al in, dacht ik, ahistorisch en kort door de bocht. Ik begreep wel waarom. Na een project zei eens iemand tegen me: ‘Ik moet excuses aanbieden, ik heb je al die tijd tegengewerkt.’ Ik was verbaasd. Over de bekentenis, over het feit dat iemand energie stak in het tegenwerken van een ander. We wilden allebei van ons vak toch het beste maken? Ik had vermoedens gehad, maar mijn verstand zei telkens: onmogelijk. 

We weten verder niets. Uria’s dood behoedde hem voor een existentiële crisis, waarbij alles wat hem lief was tussen aanhalingstekens werd gezet. Eigenlijk had ik Uria die crisis gegund. Stel, hij overleefde wél, dacht ik weglopend van het spreekgestoelte. Hij zou zijn waarden herijken, meer leven naar zijn eigen wetten, of hij zou toch ten onder gaan. Want wie zegt dat je altijd sterker uit een crisis komt, liegt of heeft nooit een crisis gekend.

 

Afbeelding: uitsnede schilderij van Rembrandt 


Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn tweede roman Augustus.

 

 

Meer van Eric de Rooij: