Metamorfose

Zul je net zien, werd ik op de avond van het boekenbal ziek, twee roze streepjes in een kakelwit kadertje, een mooi accessoire om de dresscode van dit jaar te eren. Nog een geluk dat ik niet was uitgenodigd. Vier dagen in bed met zakdoekjes, kruik, paracetamol, boek en potlood. Ik droomde veel, hoorde Portugese stemmen, zag een ontvelde haas naast een geplukte haan liggen. Ik keek naar de felrode spierbundels van de haas tot de haas zich oprichtte, wegsprong, de oren geschulpt als kano’s op zijn rug. Tussendoor las ik Veranderen: methode van Édouard Louis. Telkens wanneer ik ontwaakte, greep ik ernaar. Onderstreepte zinnen, krabbelde in de kantlijn (‘waarom ontfermt iemand zich over de ander?’; ‘wiens naam geschreven staat, bestaat’), bij de passage waar de directeur van het cultureel centrum in Amiens hem vraagt of het ‘Eddy’ of ‘Édouard’ moet worden op het kaartje van zijn kluisje. Het wordt Édouard, voor het eerst weg met Eddy. ‘Zijn metamorfose is zichtbaar, daar, voor de hele mensheid.’

De onderwerpen in zijn vier voorgaande boeken, komen opnieuw voorbij. ‘Dat verhaal, die odyssee, wil ik hier proberen te vertellen.’ Hij beschrijft de laatste keer dat hij zijn moeder in zijn ouderlijk huis bezoekt. Tegen wie hij zei, ‘Trouwens, je bent geen moeder, je bent geen moeder, je verdient het niet om een moeder te zijn, (…) waarom ben ik in de dit gezin terecht gekomen en op dat moment schreeuwde ze Stop!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!’ en begint hem te stompen, schreeuwt dat ze nooit eens rust heeft met die klootzakken van kinderen. Door de ontmoeting met de schrijver Didier Eribon, van Terugkeer naar Reims, begrijpt Louis hoe hij definitief kan breken met zijn verleden. Hij moet schrijven. Waardoor ik me aan hem verwant voel, weer wegdommel. Droom van een brandend fornuis waar de poes met driepoten bovenop springt, er kats een oortje afbrandt. Ik zag het liggen, zo’n mooi aandachtig kattenoortje. Ik legde het poesje, dat steeds kleiner werd in mijn handen, in een hoedendoos, het oortje ernaast. 

Louis eindigt met, ‘dat ik soms spijt heb afstand te hebben genomen van het verleden, (…) dat ik door te vluchten heb gevochten voor een geluk dat ik nooit heb gekregen.’ De verschillende vormen die Louis gebruikt om dit verhaal te vertellen, maken het tot verlichtende literatuur. Waaronder de (fictieve) ‘monoloog van Elena’, zijn eerste vriendin uit de middenklasse, in de vorm een hommage aan de Franse komiek en toneelschrijver Jean-Luc Lagarce (19571995). Ik lees wat Louis, Elena in de mond legt. ‘Ik wilde je plaats van bestemming zijn en ik was alleen maar het vertrekpunt. / (…) Jij zou geschiedenisleraar worden en ik journalist of kunstenaar, / (…) een kunstenaar zonder publiek, / Maar we zouden gelukkig geweest zijn.’ Als alles bereikt is, zijn tanden rechtgezet, zijn haarlijn aangepast, zijn naam veranderd, zijn studie voltooid, het eerste boek geschreven, blijft het stomme verlangen, ‘Naar de tijd dat mijn moeder haar schouders ophaalde en zei Wat een rotleven hebben we toch. Naar de tijd dat ik nog met haar kon praten. Naar de tijd dat ik droomde.’ Blij dat ik dit boek in huis had, het schudde mijn dromen. 

 

 


Inge Meijer is een pseudoniem, leest in bed.

 

 

 

Meer van Inge Meijer: