We zitten in de tuin. De hemel kleurt roze, gekoelde wijn veroorzaakt druppels condens aan de buitenkant van het glas die op onze kleren druppen telkens wanneer we een slok nemen. We nemen het er van, ik ga voorlezen. Verhalen van Thomas Verbogt die, zo blijkt, niet allemaal met droge ogen tot een goed einde gebracht kunnen worden. Ik had ze al gelezen, me ermee vermaakt maar nu, bij het hardop lezen komt het slapstickachtige van sommige verhalen pas goed naar voren. In het verhaal ‘Uitslapen’, waarbij de schrijver, jawel, tracht uit te slapen, kom ik bij de passage waarin alles samenkomt. Terwijl de uitslaper nergens aan wil denken dat het uitslapen kan verhinderen, hoort hij de vuilniswagen. Denkt aan twee vuilniszakken in de gang, als hij ze nu niet aan de weg zet, gaan ze stinken. En hij probeert uit te slapen, dat lukt dus niet meer. Hij springt uit bed, kamerjas aan en haast zich op blote voeten met de vuilniszakken naar buiten. Eenmaal buiten glijdt de voordeur in het slot. Hij trapt in een stuk glas. Wiebelend op een been probeert hij met beide handen de gewonde voet naar zich toe te trekken. Als twee agenten hem naderen, komt het besef dat hij onder zijn kamerjas niets aan heeft.

Tijdens een redactievergadering hadden we het erover hoe plat taal kan zijn. Zegswijzen als ‘helemaal goed’, of ‘Ik doe wel een belletje,’ zijn niet aan ons besteed. Van de aanspreekvorm ‘Hé buuf’ gruwden we en bij ‘heb je een momentje’ gaven we niet thuis. Zeiden we, serieus. Het werkte wel aanstekelijk. Ik kon nog net ‘zullen we nog een bakkie doen?’ voor me houden, gevolgd door ‘moet je net mij hebben. In de verhalenbundel Olifant van zeep van Thomas Verbogt komt het allemaal voor. Verbogt ontmoet mensen die hem vragen, ‘heb je nog leuke dingen gedaan’, of ‘dit is toch niet de afspraak’. Op het moment dat hij zijn bloedende voet omhoog houdt vraagt een van die agenten dan ook, ‘Wat zijn we precies aan het doen?’ Toen begaf mijn stem het, ik zag het voor me en moest overnieuw beginnen met lezen.

Verbogt is goed in het samenbrengen van een veelheid aan onhandige dingen, goed gebruiker van nietszeggende taal. Ook kleine gebeurtenissen, die in seconden afspelen worden bij hem beleefbaar gemaakt (het vallen van een vaas uit Rome, herinneringen die daarmee loskomen). Wie lacht kan zo in huilen uitbarsten. De achttien verhalen in Olifant van zeep geven een beeld van een schrijver in zijn zestiger jaren die in het onhandige een zeker bestaansrecht zoekt. Met zinnen die een heel tijdsbeeld neerzetten: ‘En zo liepen we naar het huis waar hij een kamer had gehuurd, bij een hospita van wie hij in de late avond tot acht uur in de ochtend maar één keer naar de wc mocht.’ Thomas Rosenboom zei eens dat Verbogt een schrijver is die ‘een heel groot publiek’ verdient. Dat wil ik nog eens benadrukken. Wij vermaakten ons meesterlijk met Verbogts verhalen, zoveel beter dan Netflixen.

 

Olifant van zeep / Thomas Verbogt / Nieuw Amsterdam ( juni  2019).


Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

 

Meer van Inge Meijer: