De tweede aflevering van De roze revolutie, de documentaire-reeks van Michiel van Erp over de geschiedenis van de LHBTQIA+ beweging, katapulteerde me terug naar de jaren tachtig. Vanuit Amerika waaide een dodelijke ziekte over die vooral homoseksuele mannen leek te treffen. Een nieuwe pest. Kreeg je het dan ging je onherroepelijk dood. De geïnterviewden spraken over het verlies van tientallen – veelal jonge – vrienden. Er is een tijd geweest dat ik dagelijks na het douchen mijn lichaam inspecteerde op afwijkende vlekken die het voorzichtige begin van het einde aankondigden. Een aft was een voorbode, een puistje veroorzaakte paniek. Onverklaarbaar gewichtsverlies werd gecompenseerd door een zak chips. De angst zat er diep in, ondanks het oppassende leven dat ik leidde. Rationeel gezien was er geen enkele reden voor bezorgdheid. De ‘community’, waarover in de documentaire veelvuldig werd gesproken en waarbinnen al die mannen ten prooi vielen aan het virus, kende ik niet. Aids bracht me naar een leven aan de zijlijn. Ik hield me koest.

Tussen de bedrijven door van dit achteraf wat onnozele bestaan las ik zoveel mogelijk over hiv en aids. Je had Aidsinfo, een uitgave van het COC en de Gaykrant, gedrukt op goedkoop, wat donker krantenpapier, maar liever zocht ik het in de literatuur: Frans Kellendonks Mystiek lichaam, of The Darker Proof van Adam Mars-Jones en Edmund White. Maar de meeste indruk maakte Voor de vriend die naliet mij het leven te redden (Ã l’ami qui ne m’a pas sauvé la vie), het autobiografische relaas van Hervé Guibert (1955–1991), dat in 1992 in het Nederlands verscheen in die mooie Sun-reeks. 

Dat ik onder de indruk was, had denk ik twee redenen. De eerste is wat prozaïsch: het portret van de schrijver op de binnenflap, een knappe jongeman, slank, blonde krullen, doordringende ogen. Ik kon me niet voorstellen dat dit jonge en vitale lichaam in de tijdspanne nadat het portret was geschoten te gronde was gegaan. Maar nog belangrijker: Guibert noemde de ziekte bij zijn naam. Dit gebeurde direct in de eerste zin: ‘Drie maanden lang had ik aids.’ Geen beeldspraak, geen verbloeming, patsboem, daar stond het. Het woord ‘seropositief’ volgde. In Frankrijk veroorzaakte het boek heibel, vanwege het personage Muzil, gemodelleerd naar Guiberts vriend, de filosoof Michel Foucault. Wat Foucault tijdens zijn leven buiten het zicht van de media hield, het verloop van zijn ziekte, werd door Guibert uitgebreid beschreven. Die rel interesseerde me minder. Mij ging het om de rauwe werkelijkheid in het boek én om Guiberts Houdini-act. Zijn streven om door het oog van de naald te ontsnappen, te overleven. Tot en met het einde hield hij het lot in eigen hand. Letterlijk.  

De Roze revolutie bracht me niet alleen bij Hervé Guibert en de aidsepidemie, maar ook terug bij de Covid-pandemie. Toen die uitbrak, paste ik moeiteloos mijn levensstijl aan, geen handen schudden, anderhalve meter, mondkapje. Veel verpleeghuisbewoners die ik in het voorjaar van 2020 sprak, aanvaardden gelaten de eerste – keiharde – lockdown maatregelen door te verwijzen naar beperkingen in de oorlogsjaren. Er zijn ervaringen die je ogenschijnlijk bent vergeten, maar die een leven lang onder je huid blijven. 

 

 


Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn tweewekelijkse columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.