7 maart 2013

Maar zingend – Mark Boog

Zonder zang vaart niemand wel

Recensie door Albert Hogeweij

Met Maar zingend is de zesde bundel van Mark Boog (1970) in 13 jaar geworpen. En aangezien er tussendoor ook bijna evenzovele romans van zijn hand verschenen, en zijn dichtbundels niet tot de dunste behoren, mogen we hem gerust als een productief auteur beschouwen. En dat in weerwil van de levensfilosofie van de underdog die zijn werk lijkt uit te ademen. Een schoorvoetend optimisme, dat het halflege glas het voordeel van de twijfel gunt. En juist in zijn nieuwe bundel buigt Boog zich over de vraag ‘waar komt de levenslust vandaan?’ In het aangezicht van de dood wordt er nog zoveel ondernomen, maar waarom, waartoe?

In het hart van de bundel, in de middelste van de zeven afdelingen waarin deze 71 gedichten tellende bundel is opgesplitst, klinkt in het gedicht Onooglijk maar zingend, dat inzet met ‘Zie de dag als een schedel opengaan’  het antwoord op de vraag waarom de onooglijke krekel zingt…‘vanwege de korte duur’. In een ander krekelvers echoot het: ‘Hoe onooglijk ook: zing! / Zing! Laat weten dat bestaat. […] Maar zing, zing! Verhef je / boven het harde gras, de kale steen. / Vanwege de korte duur.’ Bij wijze van huldebetoon mogen die onooglijke beestjes ook het omslag van deze bundel sieren. Vanwege al die goedbedoelde aansporingen kon Maar zingend wel eens de poëziebundel met de hoogste dichtheid aan uitroeptekens zijn! Toch zorgt de dichter met zijn ironie en understatement voor voldoende tegengas om aan de hem zo kenmerkende, poëtisch weifelende toon ook in deze bundel ruim baan te geven. ‘Vrolijk negerend! Zo gaan wij door het leven, / zo gaan wij voor elkaar / door het vrolijke leven.’ Humor, zelfspot geven genoeg lucht aan zijn werk. Mark Boog heeft zich laten kennen als een bedachtzaam dichter, die gaande het gedicht eerst merkt welke kant het op moet. Een dichter die met zijn aftastende gedachten zijn taalvermogen op scherp zet. De woorden zijn bij hem altijd helder. De zinnen kort. En een enkel neologisme als ‘dagdagelijks’ of ‘trouwogig’ voegt zich probleemloos in het zinsverband. Met een dichter als Hans Faverey heeft Mark Boog gemeen dat nogal wat van zijn gedichten variëren op een in gang gezette beweging waarvan het tot stilstand komen bezig is zich te voltrekken.

Gered

‘In de prullenbak?
Nee, naast de prullenbak.

Oprapen dan maar,
en toch maar niet weggooien.

Als toeval bestaat – bijna smekend, de spreker smeekt –
bestaat alles.

Alles! En meer: ook wat niet bestaat.
Dat bestaat ook.’

Meer is het niet, maar het is vaak genoeg. De Duitse Bauhaus kunstenaar Oskar Schlemmer heeft eens opgemerkt dat een kunstenaar slechts aan een enkele beweging genoeg had. Daaruit viel genoeg inspiratie te halen voor een heel oeuvre. Te vermoeden valt dat Boog zich ook aan dit type kunstenaar verwant zou kunnen voelen. De reikwijdte van zijn gedichten is tamelijk beperkt. De toon na zoveel bundels vertrouwd. Een mooi en typisch Booggedicht is:

Het lijkt te gaan regenen

‘Het lijkt te gaan regenen.
In stille afwachting de grijze ochtend,
die het ook niet kan helpen droog te zijn.

Ergens wacht de opluchting van verwachtingen
die uitkomen, hoe somber ook. Niet regenen
is onaanvaardbaar.

De ander, volmaakt, en de tekortkomingen
ze vullen elkaar aan. Illustraties,
niet meer dan illustraties.

Op het bed, in de kamer die kleurloos lijkt, leeggebloed,
een kleurloze gestalte. Wit, mager en toekomstig
het aangezicht en de lakens.

Wat doet het bed in de woonkamer?
Het bed woont in de woonkamer.
Het gaat regenen, het is droog.’

De dichter speelt hierin een fijn spel van benoemen en verbeelden. Met de elkaar aanvullende tekortkomingen en verwachtingen houdt het gedicht z’n adem in. De verwachting werpt haar schaduwen vooruit, maar een soort verlicht stoïcisme maakt dat een sombere verwachting die uitkomt beter voelt dan een verwachting die niet uitkomt. Maar behalve de grijze, regenzwangere lucht buiten bevindt zich binnen het minstens zo onheilspellende wit van een ziekbed. Dient de ene tekortkoming ter afleiding van de andere? In een ander gedicht heet het: ‘Zonder vrees vaart niemand wel.’ In ieder geval geeft het gedicht genoeg te vermoeden om de opgebouwde spanning niet prijs te geven aan een eenduidig antwoord.

Boog wisselt in zijn poëzie de eerste persoon enkelvoud geregeld af met de eerste persoon meervoudsvorm. Dat houdt hem uit de gevarenzone van de navelstaarderij. De aanwezigheid van de ander schuurt het zelfonderzoek en de verruimt de blik ervan.

Vraag, Antwoord

‘Wat elkaar aan te doen,
en hoeveel.
Waarom, ook.

Het huis kan vormen aannemen,
sommige bedrieglijk echt,
maar het is geen huis.

De tuin dan?
Die is tuin.
We weten niet wat een tuin is.

Er is altijd werk aan het verminderen
van het onbekende.
Geen werk is ooit gedaan.

De vraag is: was het beter
niet gedaan te hebben.
Daarop een sluitend antwoord.’

De laatste strofe legt echter een minpuntje van deze bundel bloot. Boog mag dan vanuit zijn denken tot poëzie komen, meestal lukt het hem om de gedachten weg te moffelen achter de eenmaal opgeroepen beelden. Maar in deze bundel willen de gedachten nog wel eens al te zichtbaar door het vers heen schemeren. Liever zien we uit de gedachten een aforisme tevoorschijn treden als: ‘Naarmate de wereld groter wordt / wordt de wereld kleiner.’ Ach, wat citeerbare zinnen betreft: die zijn ook in deze bundel niet zuinig gezaaid.

Soms komt wat de dichter wat melig voor de dag: ‘Het kan natuurlijk zijn dat er bestaat, / maar het moet niet te gek worden: poneren is voor later/ Voorlopig is dit een gedicht, verder is alles onzeker./ (Dat is goed.)’ Maar de dit vers afsluitende regels ‘Ach, verrassen. / Wie kan het nog. / Wie wil het nog.’ weten de lezer toch weer in te pakken. Het probleem voor de recensent is dat op het citeren van een minder geslaagde, want wat al te gemakzuchtige regel: ‘Opdracht: doe vandaag iets. / Anders morgen. Het gaat erom /  dat het ergens om gaat.’ deze dan prompt gevolgd wordt door een aanzienlijk sterkere: ‘Het vreemde dat de dag is / vent zijn eigenschappen schaamteloos uit.’

De reeks Naast iedere wieg heeft vooral ‘het kind’ in al zijn facetten, maar vooral de problematische, tot onderwerp. De moeizame pogingen van de ik-persoon om zich met het leven en zijn geliefde te verstaan, worden nu ingeruild voor de niet minder moeizame stappen van een kind op zijn levenspad. ‘Op de groei niet voorbereid is hij niet genoeg / om zijn lichaam te vullen. Te weinig inhoud / voor zijn rubberen benen, te weinig mens.’ Het sterkst is Boog als hij het menselijk tekort duidt in de reeks Als je je nu uitkleedt die een aantal liefdesgedichten of pogingen daartoe (Zevende mislukte poging om een liefdesgedicht te schrijven) bevat. Hierin toont de dichter zich als vanouds meester van de menselijke maat, het kwetsbare op de vierkante centimeter. ‘Niet het ene te zijn, noch het verre andere, / bestemming noch vertrekpunt: / de weg zelf, de afstand, je zo / steeds aan te raken.’ In deze poëzie is het vaak maar een regel, een enkel woord dat de waterscheiding vormt tussen geluk, tevredenheid of het verlies daarvan. Zijn gedichten geven de ik-figuur de illusie zich ternauwernood in de batige helft van het halflege glas te bevinden. ‘Elke volgende lente is een kleiner deel / van het mooie leven’.

Een kwaliteit die deze bundel wel degelijk bezit is dat die bij herlezing andere gedichten als beste naar voren lijkt te schuiven. Want de woorden mogen dan helder zijn, de zinnen kunnen net op een afwijkende manier afbreken of vervolgen, en wat geruststellend leek in te zetten, kan zomaar in een weerhaakje uitdraaien. Kortom: op dit soort gedichten raakt men niet gauw uitgekeken. Aan dichten over het dichten bezondigt de dichter zich intussen royaal. Boog last er echter genoeg zelfspot in om met het overtreden van het gebod ‘gij zult niet dichten over het dichten’ weg te komen. In het allerlaatste gedicht schrijft hij ironisch dat het dichterschap een aan het ‘autisme verwante stoornis’ is, ‘die goed te behandelen is, bijvoorbeeld / door de dichter het dichten te verbieden.’ In de slotregels wordt dit maal niet tot zingen aangespoord, maar luidt het: ‘Sluit de ogen. Sluit toch de ogen.’ Een passende finale. De dichter is tot zwijgen gebracht. En voor Mark Boog, die keurig om en om poëzie en proza aflevert, zal de dichter misschien nog wel even mogen zwijgen tot zijn zesde roman geschreven is en de stand tussen beide weer gelijkgetrokken.

Hoewel deze bundel misschien niet direct als eerste aan te bevelen valt ter introductie tot Boogs poëzie, zouden degenen die reeds voor zijn werk gevallen zijn zich aangespoord moeten voelen: laat ook deze bundel niet ongelezen!

 

Maar zingend

Auteur: Mark Boog
Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
Aantal pagina’s: 92
Prijs: € 18,90

Maar zingend
Mark Boog
ISBN: 9789059363731

Meer van Albert Hogeweij:

20 oktober 2017

Soepel en licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 mei 2017

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Over 'Gebogen planken' van Yves Bonnefoy

Recent

20 november 2017

Het leven ontwijken

Over 'Kraaien tellen' van Lucas de Waard
17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele

Verwant

7 maart 2013

'Wie één keer verliest heeft altijd verloren'

Over 'De vuistslag' van Mark Boog
7 maart 2013

Een mindere dichter bezwijkt aan zijn voorbeeld, maar de betere sterkt zich eraan.

Over 'Er moet sprake zijn van een misverstand' van Mark Boog