4 oktober 2011

Literatuur als versiering

Recensie door: Machiel Jansen

Recensie door Machiel Jansen

 

In zijn nieuwe boek Kant & Co probeert hoogleraar Burgerlijk Recht Hans Nieuwenhuis de rechtspraak te verbinden aan de literatuur. Door de eeuwen heen heeft de literatuur immers de mens beschreven en die voorstellingen en opvattingen kunnen we soms terug vinden in de moderne rechtspraak. Helemaal overtuigend is deze redenering misschien nog niet en Nieuwenhuis doet dan ook een beroep op de filosofie om de kloof tussen literatuur en rechtspraak te dichten. Het resultaat is een beknopte, leesbare, maar toch wat droge kennismaking met de filosofie van het recht.

Literatuur speelt in Kant & Co vooral de rol van illustratie. Theodore Fontanes Effi Briest (1895) wordt aangehaald in een voorbeeld over overspel, Aldous Huxleys Brave New World (1932) wordt genoemd bij de bespreking van de dilemma’s rond reageerbuiskinderen en uit de Max Havelaar (1860)wordt uitgebreid geciteerd als een voorbeeld van ‘een samenspanning van literatuur en recht in haar meest elementaire vorm; de frontale aanval op elementair onrecht.’ Maar de geciteerde werken komen niet tot leven. Nieuwenhuis probeert wel tot lezen en herlezen aan te zetten maar zijn poging strandt in goede bedoelingen. Een aantal keer schrijft hij in gebiedende wijs: ‘Lees Sophie’s choice…’ en ‘Lees L’étranger…’ maar je voelt nergens de behoefte dat straks ook echt te gaan doen. Zelfs de uitgebreide citaten uit de Max Havelaar zetten niet aan tot lezen of herlezen. Daarbij komt nog dat Nieuwenhuis een aantal van de besproken boeken veel beter in zijn betoog had kunnen gebruiken. Maar laat ik eerst iets vertellen over de structuur van het boek.

Aan de basis van het betoog van Nieuwenhuis staan drie ‘mensbeelden’. Het zijn visies op het menselijke handelen die onderling verschillen in de manier waarop ze omgaan met rechtvaardigheid, straf en vrije wil. Het eerste mensbeeld dat Nieuwenhuis bespreekt, is geïnspireerd door het geloof in God en wordt vertegenwoordigd door de Apostel Paulus. Wie dit mensbeeld aanhangt beziet de mens niet alleen als schepsel van God maar ziet de schepper ook als bron van rechtvaardigheid. Anders is dat bij aanhangers van het tweede mensbeeld, dat van Immanuel Kant. Hier staat de vrije wil en de menselijke waardigheid centraal. Het derde beeld is geïnspireerd op de evolutietheorie en beschrijft de mens als dier. Nieuwenhuis verbindt de naam van Darwin aan deze visie.

Nieuwenhuis geeft een voorbeeld hoe deze visies tot uitdrukking komen in het recht. Een Britse vrouw liet samen met haar vriend embryo’s invriezen omdat haar eierstokken verwijderd moesten worden. De embryo’s konden zo in de toekomst worden gebruikt voor een IVF-behandeling. Een jaar later gaat de relatie ten onder en de man trekt zijn toestemming voor gebruik van de embryo’s in. De vrouw ziet haar laatste kans om een eigen kind te krijgen bedreigd worden en stapt naar de rechter. Wat te doen? De drie mensbeelden geven elk een eigen antwoord.

Op grond van de visie van Paulus is het embryonale leven door God gegeven en krijgt de vrouw haar zin. Volgens het Kantiaanse mensbeeld is de vrije wil en de autonomie van de man in het geding en krijgt hij gelijk. Wie met een biologische bril kijkt, geeft, volgens Nieuwenhuis, de vrouw gelijk omdat ‘volgens de wet van de natuur de keuze van de vrouw [in het geval van zwangerschap MJ]  voorrang heeft boven die van de man.’

(Het citaat geeft hier overigens niet de mening van Nieuwenhuis weer. Hij verwijst hier naar een tekst uit de Engelse krant The Guardian. Het beroep op de ‘wet van de natuur’ is in dit citaat ook uitermate merkwaardig, een dergelijke wet bestaat immers niet. Het lijkt erop dat het juridische begrip wet hier verward wordt met het wetenschappelijke begrip.)

Het aardige is dat Nieuwenhuis geen voorkeur uitspreekt voor een van deze mensbeelden. Hij laat zien hoe in de rechtspraak de drie visies een rol spelen in de juridische praktijk. Het ‘darwinistisch’ mensbeeld is in dit opzicht misschien wel het meest controversieel. Nieuwenhuis legt het goed uit. Het gegeven dat een groot deel van ons handelen is vastgelegd in hersenen en/of genen brengt sommigen op nieuwe ideeën over rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid. Je kunt iemand verwijten dat hij te veel drinkt, maar de wetenschap dat zijn alcoholisme te wijten is aan een gen, kan iets aan dat verwijt af doen. Dergelijke wetenschappelijke inzichten roepen dan ook de vraag op, hoe vrij in ons handelen we eigenlijk zijn. Bepalen onze genen of we misdaden begaan, ons agressief opstellen of brave burgers worden? En zo ja, betekent het dat we dan zelf niet meer, of minder verantwoordelijk zijn voor ons eigen handelen? Blijken de meeste keuzes voor goed of kwaad dan helemaal geen keuzes te zijn en liggen ze besloten in DNA of hersenweefsel?

Wie gelooft dat de vrije wil niet bestaat, maar dat de belangrijkste keuzes voor ons al gemaakt zijn door de aanwezigheid van ons DNA, zou je een genetisch fatalist kunnen noemen. Nieuwenhuis gebruikt het woord ‘fatalisme’ niet en dat is jammer want het had hem een reden gegeven om naar Sophocles’ Oedipus te verwijzen. Nu gebruikt hij dit beroemde toneelstuk wel in zijn betoog, maar alleen om aan te geven hoe belangrijk familierelaties zijn in onze opvattingen over rechtvaardigheid. Nieuwenhuis vat het beroemde Griekse drama keurig samen, maar vergeet daarbij één cruciaal element: Oedipus wist van te voren dat hij zijn vader zou doden en zijn moeder zou trouwen. Het was namelijk meermalen voorspeld. Zowel Oedipus als zijn vader probeert dan ook het lot te ontwijken. Tevergeefs.

De Oedipus mythe is een voorbeeld van fatalisme, van lotsbeschikking, van een gebrek aan vrije keuze. En een fatalistische levensbeschouwing heeft tal van gevolgen voor de visie op rechtvaardigheid. Was Oedipus schuldig aan moord en incest? Valt hem iets te verwijten? Het zijn vragen die direct betrekking hebben op de thema’s die in Kant & Co worden behandeld.

Nu is de discussie over de vrije wil een belangrijk thema in Kant & Co en het is jammer om te zien dat Nieuwenhuis een zo mooie kans om de literatuur erbij te betrekken laat liggen. Hier was een kans geweest om dieper door te dringen in de literatuur, om het oude Griekse drama meer te laten zijn dan een haast verplichte illustratie bij een betoog. Naar mijn idee, mist Nieuwenhuis een aantal keer een dergelijke kans. Ik geef nog een voorbeeld.

Nieuwenhuis citeert Huxleys toekomstroman Brave New World bij het bespreken van de problematiek rond reageerbuisbevruchtingen. Dat is aardig, maar niet veel meer dan dat; de essentie van de roman raak je er niet mee. Brave New World kun je beschouwen als een waarschuwing voor een maatschappijvisie die uitgaat van wetenschappelijke inzichten. Er spreekt een diep wantrouwen in wetenschap en techniek uit deze prachtige roman. In Brave New World is het individu gevangen in een systeem dat zo ideaal mogelijk lijkt te zijn afgestemd op de biologische en psychologische inzichten van de tijd waarin het geschreven is. Het resultaat is een benauwde dystopie, een wereld waarin je niet leven wilt. Ook dat thema is uiterst relevant in Kant & Co. Nieuwenhuis laat zien dat aanhangers van het darwinistische mensbeeld nogal eens aandringen om wetenschappelijke inzichten te gebruiken in de rechtsgang. Sommigen gaan daarin vrij ver. Nieuwenhuis weet een aantal van hun argumenten feitelijk te pareren maar het was nu juist zo leuk geweest als hij hier ook de literatuur bij gebruikt had.

Ten slotte, het taalgebruik van Nieuwenhuis is ietwat droog en academisch. De eerste zinnen van het hoofdstuk ‘Een wil gericht op rechtsgevolg’ luiden bijvoorbeeld als volgt: ‘Niet slechts het strafrecht en het civielrechtelijk aansprakelijkheidsrecht, ook andere belangrijke onderdelen van het recht veronderstellen naar gangbare opvatting dat de rechtsgenoten beschikken over vrije wil.’

De tekst is weliswaar niet overal zo academisch verantwoord als hier maar echt lekker losjes wordt het nergens. Daar staat tegenover dat de academische benadering het boek net en overzichtelijk maakt. Kortom, een inleiding in de filosofie van het recht, waarbij de literatuur dienst doet als versiering. Een gemiste kans.

 

 

Kant & Co

Auteur: Hans Nieuwenhuis
Verschenen bij: Uitgeverij Balans
Aantal pagina: 176
Prijs: €19,50Hans

 

Literatuur als versiering
ISBN: 9789460033544

Meer van Machiel Jansen:

26 februari 2014

Zoutloze wansmaak

Over 'En dan komen de foto's' van A.H.J. Dautzenberg
29 januari 2014

Parallellen met een hoofdpersoon 

Over 'Te veel geluk' van Alice Munro

Recent

23 november 2017

Weidse landschappen, bekraste zielen

Over 'Idaho' van Emily Ruskovich
21 november 2017

Reizen in een binnenwereld

Over 'en toen aten we zeehond' van Nicoline Timmer
20 november 2017

Het leven ontwijken

Over 'Kraaien tellen' van Lucas de Waard
17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef