22 november 2012

Literaire salon Schilder & Van Hest met Oek de Jong en Ester Naomi Perquin

Recensie door Ingrid van der Graaf

 

Zondagavond kwam ik thuis met ‘een handige collectie enge mannen’, mij opgedragen door een voormalig cipier, of liever ‘cipieresse’, die tijdens haar functie als schrijvende gevangenbewaarder ‘ESeSter’ werd genoemd. Zij verstaat haar vak in meerdere betekenissen van het woord.

Aan de Lijnbaansgracht 102 bevindt zich het atelier van kunstenaar Patty Schilder waar maandelijks de Literaire Salon Schilder & Van Hest plaatsvindt. Bij binnenkomst ruist en bruist het van het groeten en wedergroeten van bekenden of schijnbaar bekenden. Geschuifel langs tafels op zoek naar een vrije stoel, kruk of plaatsje op een oude sofa. Een setting en sfeer als in een Portugees of Spaans volkseethuis met veel rumoer en etensgeuren. Want gegeten wordt er ook tijdens deze literaire salons. Zalig zachte sausen en pittige gerechten met wijn en brood met een poëtische bite.

Zondag 18 november waren Oek de Jong en Ester Naomi Perquin te gast. Interviewer en dichter Jos van Hest ging in gesprek met beide auteurs over hun werk. Dit alles werd omlijst door muziek van Lex Goes en afgewisseld met een gesproken column van boekhandelaar Ton Schimmelpennink van Boekhandel Schimmelpennink.

Ester Naomi Perquin publiceerde dit voorjaar haar derde bundel Celinspecties. Sinds 2007 publiceerde zij drie dichtbundels waarvan de eerste twee werden onderscheiden met verschillende prijzen en de laatste op de nominatie staat voor de VSB Poëzieprijs 2013. Haar werk wordt uiteenlopend beoordeeld van lief tot pervers maar vooral verontrustend. Wat zeker is, is dat Perquin een scherp gevoel heeft voor het alledaagse. Het alledaagse waaruit, wanneer zij haar ogen erop richt, bevreemdende en niet minder, schokkende voorstellingen ontstaan.

Vier jaar werkte Perquin full time als nachtelijk cipier, ‘cipieresse’, zoals ze zelf zegt, in een gevangenis. Een bizarre keuze constateerde Jos van Hest voor een jonge vrouw. En vroeg naar haar ervaringen als gevangenisbewaarder.
Ten eerste wilde Perquin de opvatting rechtzetten dat zij in het gevang is gaan werken om de Schrijversvakschool te kunnen betalen. Zij deed dit werk al vóórdat zij de schrijfopleiding ging volgen (in 2006 afgestudeerd). Wat wel klopte is dat zij haar schrijfopdrachten tijdens de nachtdiensten schreef.

Om dit werk te kunnen doen kon je kiezen of je je als lellebel of als ijskonijn zou gedragen, vertelt Perquin. Om geen last te krijgen met de gedetineerden was Perquin een ijskonijn die het hoofd koel hield bij dreigende sterfgevallen (niet doodgaan nu ik dienst heb!), reanimeerde waar het nodig was en bluste brandjes. Veel gebeurde er niet tijdens zulke nachten. ‘Het meest gebeurt achter gesloten deuren ’s nachts. Meest vieze dingen’. Stelt Perquin zich voor.

Op de vraag of het materiaal uit de bundel Celinspectie al geschreven werd tijdens die nachtdiensten, vertelt Perquin dat dat niet het geval was. Ze schreef met name veel brieven aan vrienden, die ze later gebruikte voor het schrijven van Celinspecties.

Jos van Hest noemt het een onthutsende bundel, vindt hem mooi en lelijk tegelijk; ‘mooi in taal en lelijk in het portret van het kwaad’. Perquin wil niets liever dan dat deze bundel op zijn rauwheid beoordeeld wordt. Ze ontving de opmerking in een recensie van Pieter Steinz, die het gedicht David H. (waarin een verkrachter aan het woord is) ‘pervers’ noemde, als een compliment. Waarmee ze ook wil onderstrepen dat een verkrachter in wezen niet gestoord is. Dat je verkrachters aantreft onder de meest normale mannen (binnen het huwelijk, vriendenkring, familie). En dat dàt gegeven pas verontrustend is.

Al dichtend balanceert Perquin langs de zelfkant van het kwaad in Celinspecties. Op de vraag of het geen gevaarlijke bundel was, gezien de misdaden waarmee ze naar buiten treedt, zei Perquin: ‘Ik voel wanneer iets kan’. En dat is de koers die je als dichter vaart. Zo schreef ze het gedicht Bart V., over een supermarktoverval waarbij geschoten werd.
‘(…) Ze lachte heel even en daarna / viel ze neer alsof ze een jas was geweest / die ineens van een hangertje gleed.’ Kort daarna was er het winkelcentrumdrama in Almere.

Ze vraagt zich af hoe lang iemand een misdadiger blijft. Haarzelf overkwam het dat ze een ex-gedetineerde herkende voor de schappen van een supermarkt. Een pleger van een roofoverval met geweld. De jongeman stond voor het schap te mopperen dat artikelen op de verkeerde plek lagen. Een oude vrouw naast hem mopperde vrolijk mee en Perquin dacht: ‘Ja, ja, ik ken jou’. Waarna ze zich direct afvroeg wanneer iemand boef  ‘af’ is.

Het soort gedetineerde waar Perquin het meest van houdt, is de ‘ik was het niet’- gedetineerde, waarover het meesterlijke gedicht Verklaring.

‘Ik was er niet bij die nacht. En als ik erbij was dan wist ik dat niet.
(…)

Ik had geen idee wat er speelde, trouwens iedereen die ik
daar zag heeft me erbuiten gelaten vanwege
dat ik er niet was. Niet tijdens die nacht.
(…)

Misschien was het een plantenbak. Die plantenbak viel
Horizontaal op haar gezicht en tamelijk hard en
Misschien wel verschillende keren maar
Ze zeggen zoveel, het was een opmerkelijk donkere nacht.

Ik weet nog dat ik thuis waar ik dus was
Van uit mijn bed naar buiten keek
En dacht zulk diep zwart
Zie je maar zelden.’

Aan het eind van het gesprek herinnert Perquin zich het punt in haar leven waarop ze ontdekte hoe poëtisch te schrijven. Tien jaar geleden las ze een regel van Erik Menkveld die een kamer binnenkomt waar een boxer op het tapijt ligt en opeens denkt: Ik had die boxer kunnen zijn: ‘ik had hem makkelijk / kunnen zijn, en niet alleen / hem, dat kleed ook, / die clubfauteuil, / dat teakhouten buffet…’ Dat was Ester Naomi Perquins keerpunt, het moment waarop ze wist van waaruit te schrijven; vanuit de ander, de ander willen/kunnen zijn. Ter afsluiting las ze het gedicht Vanmorgen werd ik opgebeld, te vinden in haar tweede bundel Namens de ander waarin deze wens de ander te zijn, ten diepste besloten ligt.

Na de pauze, waarin Lex Goes op toetsenbord verschillende nummers uit de jaren vijftig speelde, waaronder Spiegelbeeld alsook Schubert D894, die een rol spelen in het boek Pier en oceaan en de bezoekers zich tegoed deden aan het buffet, zette Jos van Hest zich opnieuw achter de gesprekstafel. Deze keer met Oek de Jong om het te hebben over diens Magnum Opus Pier en oceaan.

Waarom een 800 pagina tellend werk geschreven?
Oek de Jong vertelt dat dit ongewild zo gegroeid is. Hij schreef de eerste 100 pagina’s van een boek waarvan hij dacht dat het niet veel omvangrijker zou worden dan dat. Tot hij begreep dat hij het midden had geschreven van een omvangrijker werk. Een autobiografisch werk waarop hij zich heeft voorbereid door Proust te herlezen en waarin motieven uit zijn debuutroman Opwaaiende zomerjurken terugkomen. Dit debuut was tevens zijn eerste autobiografische werk waarin de moeder een prominente rol speelt, net als in Pier en oceaan, in de gedaante van Dina, een jonge vrouw in de jaren vijftig die met lesbische gevoelens speelt en zich desondanks zwanger laat maken door de man waarmee ze vervolgens trouwt. Hieronder het eerste fragment van het eerste hoofdstuk, voorgelezen door de schrijver:

‘Toen Dina wakker werd, was ze vergeten dat ze zwanger was. Ze werd gewekt door het gerinkel van melkflessen, dat weerklonk over het water van de Delpratsingel. Ze hoorde de voetstappen van de melkman, het rinkelen van de lege flessen in het rek op het ritme van zijn stappen, hoe hij bij de melkkar de lege flessen door volle verving en terugliep naar de huizenrij. Door het open dakraam stroomde koele lucht naar binnen en gleed over haar gezicht. Met gesloten ogen luisterde ze naar de melkman, die van huis naar huis ging.
Toen ze zich op haar zij draaide, voelde ze het kind bewegen in haar buik. Er trok een blos over haar wangen. Ze was wakker geworden zonder eraan te denken. Ze was vergeten dat het er was.’

Oek de Jong ondernam een zoektocht in de literatuur naar de juiste vorm die aan zijn schrijverschap zou voldoen om dit werk te kunnen schrijven. Hiervoor las hij de Anton Wachter romans van Simon Vestdijk waarbij hij voornamelijk onderzocht waaruit Anton was ontstaan.
Op de vraag of er meer autobiografisch werk te verwachten is antwoordde De Jong dat hij er acht jaar over gedaan heeft deze roman te schrijven. Het omzetten van herinneringen en een tijdsbeeld naar een literair terrein dat vervolgens getransformeerd moet worden tot een roman kost veel tijd, verklaarde De Jong. Het schrijven van een autobiografisch werk is een zoektocht naar jezelf, het grote vragen naar wie en wat je bent. De Jong: Stendhal vroeg zich op vijftigjarige leeftijd af, terwijl hij met een stok in het zand de namen schreef van alle vrouwen die hij niet gekregen had, wat voor een man hij was.

Jos van Hest merkt op dat het werkwoord ‘zien’, het meest voorkomende werkwoord in het boek is; zien, waarnemen; gezien worden. Wat maakt dat in het boek de dingen tot op de huid en zeer zintuiglijk beschreven zijn.

Op de vraag waar de titel Pier en oceaan vandaan komt, vertelt De Jong dat hij daar lang naar gezocht heeft. De titel is uiteindelijk ontleend aan een houtskooltekening van Mondriaan, gemaakt in Domburg en die nu in het Kröller Muller museum hangt waarop Pier en oceaan staat geschreven. Toen de keuze op Pier en oceaan viel heeft De Jong pas de scène erin geschreven waarin Abel een kaartje krijgt van zijn vriendin op de Rietveld academie met dit werk erop. Van Hest concludeerde dat Pier en oceaan, losgemaakt van het tijdsbeeld en het autobiografische zeer goed te lezen is. Een zeer goed Oek de Jong boek.

De literaire salon; een fijn concept voor schrijvers en literatuurliefhebbers. Na afloop trokken de bezoekers, verzadigd van lichaam en geest en enkele boeken rijker, de stad in of togen huiswaarts.

 

 

Meer van Ingrid van der Graaf:

24 september 2017

What's in a design

Over 'Kluger Hans' van Redactie o.a. Jonas Vanderschueren, Anton Steen, Dorien De Vylder,
29 mei 2017

Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

Over 'Het liegend konijn jaargang 15, nr. 1' van Onder redactie van Jozef Deleu
25 april 2017

Tijdschrift voor vertalers met verrassende opbrengst

Over 'Tijdschrift PLUK - De oogst van nieuwe vertalers' van Onder redactie van o.a. Anne Folkertsma, Betty Klaasse, Barbara de Lange, Anne Lopes Michielsen, Lisa Thunnissen

Recent

20 oktober 2017

Soepel een licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 oktober 2017

‘Een luchtig sprookje’

Over 'Waterscheerling' van Rascha Peper
17 oktober 2017

Van poldercrimineel tot godfather in Frankrijk

Over 'Ondijk/Punt' van Barry Smit
16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Over 'De Tanimbar-legende' van Aya Zikken
13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Over 'Het intieme vreemde' van Jente Jong