Literaire periodieken: Hollands Maandblad, Nynade en Zacht Lawijd

Recensie: Ingrid van der Graaf

Met het vallen van een literair tijdschrift op de deurmat, begint een heimelijk voorgenieten; nieuw leesvoer, schenk de koffie in of zet de wijn koud! Eerst wordt er gebladerd: onbevangen surfen door het blad, op zoek naar een debutant, een veelzeggend gedicht of een boeiend essay. Om onverwacht te stuiten op een voordracht, bijvoorbeeld De geschiedenis van mijn haar van F. Starik in Hollands Maandblad no. 4. dat  snel tussen keuken (koffie) en leestafel naar binnen wordt gewerkt. Heerlijk! Soms wil de lezer overtuigd worden, zoals bij het minder bekende blad  Nynade (Kunst & Letteren). De in historische context  gevatte artikelen in Zacht Lawijd vragen om een stevige leestafel waaraan de documenten uiteen gevouwen kunnen worden en het consumeren beginnen kan. 

Zacht Lawijd is een literair historisch tijdschrift en publiceert gedocumenteerde informatie met een regelmaat van vier keer per jaar. Hoewel het blad de indruk wekt voor academici te zijn uitgegeven is het zeer aanbevelingswaardig voor de breed georiënteerde lezer die zijn klassiekers kent, (of wil kennen).

Het 3e nr. (2010) van Zacht Lawijd  is een themanummer en gewijd aan Reinold Kuipers (1914-2005). In Zacht Lawijd nr. 1 van dit jaar komt Kuipers opnieuw voor en wel als  fondswerver van De Arbeiderspers. Kuipers was in 1949 in Gent op bezoek bij de dichter Richard Minne (1891-1965). Hij was op zoek naar niet eerder gepubliceerde gedichten. Minne moest hem teleurstellen maar  attendeerde Kuipers op een ‘onmogelijk’ manuscript van de jongeman Louis Paul Boon (1912-1979). In 1949 komen Kuipers en Boon voor het eerst met elkaar in contact, maar pas in 1953 verscheen De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon in het fonds van de uitgever. Want: Deze titel was enkele jaren de inzet van een machtspel tussen Minne en Boon. Zo het zich laat verklaren wilde Boon een ‘vadermoord’ (Minne) plegen om zich zodoende een eigen stek onder de zon te verwerven. Dit had een heftige polemiek tussen beide heren tot gevolg. Wanneer Richard Minne is overleden toont Boon openlijk (ietwat pathetisch aandoend) zijn grote waardering en liefde voor een man als Minne. Waarvan in Kuipers meets Minne en Boon, door Yves T’Sjoen (docent van de Vakgroep Letterkunde aan de Universiteit te Gent) en Els van Damme (bereidt een proefschrift voor over het literatuurkritische werk van Richard Minne en verbonden aan diezelfde Universiteit) in een uitvoerig artikel verslag gegeven wordt.

Zeer goed gedocumenteerd is ook het artikel Driemaal is scheepsrecht! (Over S. Vestdijks romandebuut), door H.T.M. van Vliet. Voordat Vestdijk debuteerde met Terug tot Ina Damman, had hij de twee modernistische romans Meneer Visser’s hellevaart en Kind tussen vier vrouwen geschreven maar geen uitgever durfde zich aan publicatie daarvan te wagen. Hoewel de schrijver met Kind tussen vier vrouwen had willen debuteren bleef de roman tijdens zijn leven ongepubliceerd. In een prettig leesbaar stuk, geïllustreerd met kladbladen (ah, dat handschrift! welke schrijver wordt nog om zijn handschrift herkend), een portretfoto van de schrijver, van zijn typemachine en een afbeelding van de cover van Meneer Visser’s hellevaart zoals uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar.
Van Vliet publiceerde in november vorig jaar zijn editie van S. Vestdijks Kind tussen vier vrouwen, en ontving daarvoor de Ina Dammanprijs.

Verder het artikel ‘Zie daer de trekken van een Nederlandsch penseel!‘ van de historicus en schrijver Jan Lampo. Lampo werkt aan een boek over de relatie tussen kunsttheorie, literatuur en schilderkunst in en om de Antwerpse Academie voor Schonen Kunsten van circa 1750-1850. Hierbij stuitte hij op de kunstopvattingen van Jan-Frans Willems (1793-1846).

En een document getiteld: De brieven van Alice Nahon aan Emmanuel de Bom, over de Antwerpse auteur Emmanuel de Bom (1868-1933) en zijn vriendschappelijke en joviale levensinstelling door Manu van der Aa. Van der Aa is publicist over voornamelijk Nederlandstalige literatuur van het interbellum.

Hollands Maandblad heeft twee auteurs die trouw elk nummer een bijdrage leveren, en dat schept een band. Je wilt de nieuwe bijdrage van deze coryfeeën direct lezen, ik in ieder geval. Zoals in de Groene Amsterdammer de bijdragen van Marja Pruis, Perquin en Opheffer mijn ‘leessnacks’ zijn, zijn Vroman en Brandts Corstius dat in Hollands Maandblad.  Hieronder een bespreking van de nummer 4 en 6/7.

In het zomernummer 6/7 van HM  twee debuterende auteurs, Machiel Jansen en Jochem van den Dijssel. Jansen schreef een vermeldenswaardig stuk ‘over het redeneren van Karel van het Reve’. Jansen ‘verorberde’ alle tweeduizend pagina’s van het Verzameld werk van Karel van het Reve, wat op zich nogal een opgave is en verwerkte dit tot het stuk Helderheid voor beginners. Daarbij volgde hij twee lijnen die hij ontwaardde in het Verzameld werk. En wel de lijn Schopenhauer en de lijn Popper.  Waarin de gedachte van Van het Reve – dat het beter is zelf na te denken dan te lezen wat anderen over een onderwerp te melden hebben – als meanderende draad doorheen loopt. In de eerstvolgende nummer van Tirade zal Machiel Jansen overigens een stuk over de Welwillenden van Jonathan Littell publiceren.

Jochem van den Dijssel schreef het kortverhaal Bruto Stedelijk Geluk. In helder proza wordt het enigszins absurdistische verhaal verteld van een gemeente ambtenaar die bewoners in een achterstandwijk moet interviewen om te meten hoe gelukkig men is. Natuurlijk denkt niemand in zo’n wijk in gradaties van geluk. De ambtenaar heeft dit snel door, laat de moed niet zakken en verzint zelf een mate van geluk voor elke bewoner, aan de hand van zijn observaties. De uitkomst is niet relevant voor het verhaal, wel de wijze waarop het verteld wordt. Van den Dijssel is een goed waarnemer en een evengoed schrijver.

In nummer 4 een verhaal van Vrouwkje Tuinman Quo Vadis 1. Over Golders Green Crematorium in Noord-Londen waar onder meer de as van Sigmund Freud, Peter Sellers en Ian Durry is bijgezet. De beheerder Eric Willis kende in zijn vorige loopbaan als loodgieter geen vrienden. Golders Green is voor hem een plek voor de levenden, van de doden heeft hij nooit iets vernomen. Net als in haar laatste dichtbundel schrijft Tuinman over het leven na de dood, waar je vrienden aan overhoudt.
In Een vorm van troost, van Anke Scheeren komt een schoonmaakster klem  te zitten tussen de georganiseerde zorg en haar eigen behoefte een oude, hulpbehoevende vrouw uit een benarde positie te redden.
Verder het gedicht Indian winter van Gerry van der Linden en in het zomernummer het kortverhaal Wit van haar. Van der Linden is goed in het toevoegen van mooie zinnen die de werkelijkheid in het verhaal een extra demensie geven. Zoals: ‘De maaltijd verliep met een conversatie die haast zweeg van voorzichtigheid.’ Daarmee aangevend dat alles niet zo duidelijk is als het lijkt. ‘Wit. Maar niet smetteloos.’

Van Arnon Grunberg werd opgenomen de (licht) bewerkte versie van een lezing over literatuur en traumaverwerking die hij gaf op 11 mei dit jaar aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Na lezing van Welkom thuis, wordt het vermoeden bevestigd dat het verschil in de belevingswereld van man en vrouw, ervoor zorgt dat zij gedoemd zijn elkaar nooit te begrijpen. Naast Leo Vroman gedichten van Wim Brands, Krijn Peter Hesselink, Jos Versteegen en Pieter Grootendorst. Verder nog het verhaal Supermarkt, van Revka Bijl. En in nr. 4 ook een verhaal van Philip Huff, Er breekt altijd wel iets. En van David Pefko, Pijn is iets heel persoonlijks. De tekeningen werden gemaakt door Trille Bedarrides (nr. 4) en Elise van Iterson (nr. 6/7).

Op de omslag van Nynade (nr. 14 2011) een afbeelding van een schilderij van Ruslan Vashkevich, One of the two, uit 2009. Twee zwart glimmend gepoetste schoenen op een vel gelinieerd papier, met in de rechter schoen een in vele plooien vertrokken babygezichtje met wijd opengesperde mond. Een prachtig schilderij. Het blad bevat twee interviews, een met de schilder Vashkevich (uit het Russisch vertaald door Barney Agerbeek) en Karel Wash tekende een gesprek op met schrijfster Janneke Holwerda over haar roman Zeesteen. Met deze interviews wordt de ondertitel Kunst & Letteren inhoud gegeven. Er zijn veel gedichten opgenomen waarvan de zeggingskracht niet altijd overtuigt. Verrassend is het verhaal over het leven van de kleurrijke Amsterdamse kunstenaar (met foto) Henk de Jong. Een bespreking van A single man van Christopher Isherwood, het boek en de film, door Rita Spigt is ook een mooie bijdrage. Sommige bijdragen ogen wat prematuur. De loop der dingen van Jan Ruward lijkt daardoor een niemandalletje terwijl er wel degelijk een gedragen inhoud inzit. Het tijdschrift is geïllustreerd met vele kleurige illustraties. De redactie van Nynade heeft zeker ‘smaak’, maar de bijdragen verschillen nogal van kwaliteit en lijkt er sprake te zijn van een te willekeurig keuzebeleid.

 

Voor verdere informatie en abonnementen kijk op de betreffende websites.

Hollands maandblad: Ga naar website

Zacht Lawijd: Ga naar website

Nynade: http://www.nynade.nl/.

Recent

14 augustus 2019

Intellectuele robots en mensenlevens

Over 'Machines zoals ik' van Ian McEwan
13 augustus 2019

Mooie en relevante roman

Over 'Welkom in het Rijk der zieken' van Hanna Bervoets
8 augustus 2019

Waar kleine dieven groot in zijn

Over 'Grote dieven kleine dieven' van Albert Cossery
5 augustus 2019

Alles in sobere stijl met grote zeggingskracht

Over 'De verloren berg' van Lieke Kézér
2 augustus 2019

Achterliggende filosofie in het werk van de Zuid-Afrikaanse meester

Over 'Coetzee, een filosofisch leesavontuur' van Hans Achterhuis