Lijstje van fietsongevallen

Lezend in literair vertaal-tijdschrift Pluk diende zich een lijstje aan. Er stond een mededeling in een begeleidend stuk waardoor ik stopte met lezen. Het hoorde bij het verhaal ‘Pension De Tuimelende Wereldbol’ van Franzeska zu Reventlow. Over een man met een rode baard ‘in de vorm van een waaier geknipt’ die op een Spaans eiland woonde waar hij volgens de verteller ‘al jaren zijn gang ging’. Wat inhield dat hij op schepen die aanmeerden, zocht naar landgenoten ‘of andere vreemdelingen’ die hij zijn visitekaartje gaf met een foto ‘waar hij niet op leek’. Deze Hieronymus Edelman verwelkomde ze hartelijk en raadde ze pension ‘De tuimelende wereldbol’, waar hij ook verbleef, aan. Deze man wekte met zijn verschijning en optreden zulke verwachtingen bij de nieuw aangekomenen dat ze met hem meegingen. Maar het pension is een ‘dubieuze verblijfplaats’, en berusten meer dingen op onjuiste veronderstellingen. ‘Wij, de slachtoffers van Hieronymus, bewoonden de begane grond in de linkervleugel, die we zelfbewust het Europese kwartier noemden.’ Nu wil ik meer weten over de persoon achter dit verhaal. Ik blader terug naar de introductie van de schrijfster door de vertaalster. Franziska zu Reventlow (1897-1918) uit de Weimar was vanaf 1898 een gewaardeerd schrijfster van romans, columns, essays en novellen.

Als twintiger vertrok Zu Reventow naar München, werd lid van de ‘München Bohème’, in een tijd dat vrouwen amper als kunstenaar gewaardeerd werden. Dan, ‘Op 47-jarige leeftijd stierf ze in Locarno, na een fietsongeluk.’ In mijn hoofd ontstaat een lijstje. Je denkt aan Nico, miskend zangeres van de Velvet Underground, overleed in 1988 op Ibiza na een val van haar fiets. Je denkt aan Kees IJzer, broer,  in 2021 aangereden toen hij met zijn fiets met karretje door rood reed. Je denkt aan het fietsongeval met dodelijke afloop, een kernverhaal in de roman Tenminste voor een onbepaalde tijd, van Hans Heesen. Nu voegt zich daar Franziska zu Reventow bij, overleden na een fietsongeluk. En wat de betekenis daarvan is.

Het verhaal, ‘Ik sta hier te strijken’ (‘I Stand Here Ironing’) van de Amerikaanse schrijfster Tillie Olsen, vertaling Juliette van Dijk, is verrassend  en intens.
‘Ik sta hier gekweld te strijken, en wat u me hebt gevraagd gaat gekweld heen en weer met het strijken.’ De school nodigt haar uit over haar oudste dochter te komen praten. ‘U kunt me vast helpen haar te begrijpen. Ze is een jonge meid die hulp nodig heeft.’ De moeder voedde haar dochter op in een tijd dat er ‘weinig of geen opmerkzame ogen’ waren die zeiden hoe je moest opvoeden. Ze hield zich aan wat de boekjes voorschreven. ‘Hoewel haar gehuil me tot wanhoop dreef en mijn borsten pijnlijk gezwollen waren, wachtte ik op het commando van de klok.’ Een verhaal waarin niet het onderste uit de kan gehaald kan worden voor een kind. ‘Laat haar zo zijn.’ begint de laatste alinea van dit verhaal, ‘Niet alles wat in haar zit zal tot bloei komen, maar bij hoeveel mensen gebeurt dat wel? (…) Maar help haar te beseffen,’ richt de moeder zich in gedachten tot de docent, ‘help mee ervoor te zorgen dat ze reden heeft te beseffen dat ze meer is dan deze jurk op de strijkplank, weerloos tegenover het strijkijzer.’ Wat een prachtig slot is. Pluk stelt mijn blik op het literaire landschap bij. Twee schrijfster die op een ander lijstje terechtkomen, het ‘literaire ontdekkingen’ lijstje.

 

 

Pluk, de oogst van nieuwe vertalers 


Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

 

 

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Inge Meijer: