4 april 2017

De H is van havik – Helen Macdonald

Liefde voor haviken

Recensie door Anky Mulders

Wie begint aan De H is van havik van Helen Macdonald (geb. 1970) doet er goed aan eerst over te schakelen naar De havik van T.H. White (geb. 1906), omdat Macdonald daar haar hele boek door aan refereert. In het begin meldt zij dat White zijn havik wreed behandelt, maar de lezer die daar niet op zit te wachten kan gerustgesteld worden: het woord wreed blijkt te zwaar, al maakt White fouten waar zijn havik Gos de gevolgen van draagt. Daarover later meer.

Wat uit beide boeken spreekt is liefde voor (en kennis van) de natuur en de roofvogel, een diersoort waar de doorsnee lezer nou niet het eerst aan denkt als het om dierenliefde gaat. Tijdens het lezen verandert dat. Als een mens een dier beter leert kennen, al is het maar via een boek, ontstaat begrip en sympathie voor het tot dan toe onbekende dier. De havik kent net als ieder ander levend wezen angst, boosheid, tevredenheid en honger. Hij sukkelt in slaap, poetst zijn veren en geeft de kleintjes te eten. Over dat laatste hebben White en Macdonald het overigens niet, hun gaat het om het treinen (niet ‘trainen’) – de term in de valkerij om roofvogels zover te krijgen (‘zeeg’ te maken) dat ze zich binden aan die ene mens die hun eten en beschutting geeft er met hen op uit trekt. Beiden zijn gefascineerd door de eeuwenoude valkerij, door de roofvogel als exponent van een machtige natuur. De schuwe, hoog in bomen nestelende havik vertegenwoordigt een voor het menselijke geestvermogen onbereikbare wereld die hem om die reden aantrekt.

De onervaren White
Terence White, later wijd en zijd beroemd om zijn Arthur, koning voor eens en altijd, trekt zich in 1936 terug uit de wereld waar hij de dreiging van de oorlog ziet naderen, om in een klein huisje in Buckingham een havik te gaan treinen. Hij heeft geen enkele ervaring met roofvogels, maar denkt dat hij met de richtlijnen uit een paar boeken uit vorige eeuwen zijn havik wel zeeg krijgt. Op de eerste bladzijde getuigt White van compassie en bewondering als zijn havik in een mand met een zak erover wordt bezorgd en de vogel voortdurend met zijn kop tegen de bovenkant bonkt. White schrijft: ‘Maar wat een leven had hij tot dan toe ook gehad. Toen hij een jonkie was, nog niet kon vliegen en een slordig hoopje was met hier en daar wat dons, zo’n dooraderd bloterikje met opengesperd bekje, […] toen was er een griezel naar zijn moeders nest gekomen met net zo’n mand, en had hem erin gepropt. Nog nooit had hij een mens gezien, laat staan dat hij in zo’n ding was opgeborgen, een ding dat onheil ademde, niets natuurlijks had en stonk naar mensen.’ Dat getuigt van begrip voor het dier dat ook nog eens een lange reis achter de rug had. Vervolgens houdt White zijn havik, Gos, drie dagen en nachten wakker in de hoop hem te leren zijn vuist ‘als zitplaats te aanvaarden, daar het voedsel te accepteren en zich een beetje te verzoenen met het leven van de mens’. Dat kun je wreed noemen. De enige verzachtende omstandigheid voor White is dat hij zelf ook wakker moest blijven om met de vogel op zijn vuist rond te lopen. Het was een achterhaalde methode die hij uit de oude boeken had gehaald.

Rouwverwerking
Bij Helen Macdonald gaat het er heel anders aan toe. De schrijver/dichter, illustrator, naturalist en historicus is in 2014 al een ervaren valkenier. Bij haar geen fouten, geen onbegrip, alleen liefde en bewondering, mede door toedoen van haar vader ontstaan in haar vroege jeugd. Dan al leest ze Whites havikenboek, zonder er veel van te begrijpen. Maar het boek blijft haar bij, het trekt haar zoals de valkerij haar trekt. De H is van havik omvat drie subliem met elkaar verweven thema’s. Het eerste beslaat de onverwachte dood van haar vader, het tweede de aanschaf en het treinen van de jonge havik Mabel waar ze mee begint als rouwverwerking, en het derde Terence White en zijn boek. Ze duidt Whites gedrag, waarvoor ze niet alleen put uit De Havik maar ook uit Whites andere boeken, brieven en dagboekaantekeningen. Zijn ‘gevecht’ met zijn havik Gos interpreteert Macdonald als een gevecht tegen zichzelf. Hij was bangelijk, wat voortkwam uit een jeugd met ouders die elkaar haatten en bijna letterlijk het huis uit vochten. Zijn moeder had honden, zijn vader schoot ze dood. De kleine Tim was ervan overtuigd dat hij de volgende zou zijn. White zou ook homoseksueel zijn. Naast de slechte jeugdervaringen was ook dat laatste in die tijd geen recept voor een blij leven.

Emoties
Zelf raakt Macdonald tijdens haar rouwverwerking en het treinen van Mabel in een depressie. Haar baan bij de universiteit is afgelopen en dientengevolge moet ze haar huis uit. Iedere dag gaat ze met Mabel op haar vuist op pad, leert de havik niet bang voor mensen en menselijk lawaai te zijn, terwijl zijzelf het liefst onzichtbaar voor de ogen van anderen blijft. Als de tijd rijp is, laat ze Mabel los vliegen en jagen. De  eerste keer dat de jonge havik een prooi slaat schrijft Macdonald: ‘Ik staar naar de havik met haar klauwen in de dode fazant, en dan kijkt ze me met haar woeste ogen recht aan. Ik ben verbaasd. Ik had me nooit een voorstelling gemaakt van de emoties die zo’n tafereel bij me zou oproepen. Bloeddorst? Wreedheid? Nee. Niets van dat alles. […] Ik kijk naar de havik, de fazant, de havik. En alles verandert. De havik is niet langer de bezorger van een gewelddadige dood. Ze wordt een kind. Het treft me diep in mijn ziel. Ze is een kind. Een baby-havik die zo-even heeft uitgedokterd wie ze is. Waarvoor ze op deze aarde is.’ Eerder heeft Macdonald al ontdekt dat Mabel speelgedrag vertoont door haar kop ondersteboven te houden. Eigenlijk is een spelende roofvogel onvoorstelbaar, toch gooit ze Mabel een prop papier toe die deze met haar snavel vangt en teruggooit. Macdonald is ontroerd.

Dood
In de natuur leert een havik van zijn ouders hoe hij een prooi doodt. In gevangenschap leert hij dat niet en neemt de havikier die taak op zich om de prooi niet onnodig te laten lijden, want een havik die niet weet hoe hij zijn prooi moet doden begint er meteen aan te eten. Dus splijt White met een groot scherp mes in één slag de kop van een konijn en breekt Macdonald het de nek. ‘Ik was blij als Mabel een succes boekte, en ik rouwde vanwege dat ene konijn,’ schrijft Macdonald. ‘Ik leerde me tijdelijk verantwoordelijk te voelen voor het lot van een konijn dat Mabel stevig in haar klauwen hield, het vast te pakken en de genadeslag toe te brengen. […] Ik leerde dat je tanden op elkaar doen niet hetzelfde was als onverschillig zijn. Het konijn was altijd belangrijk, zijn leven werd nooit gebagatelliseerd. Ik was verantwoordelijk voor zijn dood.’ Het raadsel dood blijft haar bezighouden totdat ze van haar depressie genezen is.

De klap was overweldigend
White verliest Gos. Uit onwetendheid heeft hij hem niet goed behandeld. Ten eerste door het dagen- en nachtenlange waken om Gos te onderwerpen, ten tweede door hem te veel eten te geven waardoor Gos een slechte conditie heeft. Ten derde: als hij Gos van een afstand naar zich toe laat vliegen, rent hij weg omdat hij de auto van zijn buurvrouw ziet aankomen en hij haar iets wil zeggen. Gos, die net geleerd had om naar White toe te vliegen, raakt daardoor in verwarring. Macdonald heeft het ook nog over schade aan de pennen van Gos’ staartveren waardoor het dier niet goed kan vliegen, maar vermeldt niet dat White die geduldig en zorgzaam heeft gerepareerd.

Op een dag gaat White de buitenboel schilderen en om het Gos zo plezierig mogelijk te maken laat hij de deur van het valkenhuis openstaan, zodat de havik aan een verlengde langveter zowel binnen als buiten een beetje kan rondvliegen. Als White weer kijkt waar Gos is, blijkt de havik verdwenen. Het touw aan de langveter was gebroken. ‘Ik herinner me niet wanneer mijn hart precies ophield met kloppen,’ schrijft hij. ‘De klap was overweldigend en zo onherroepelijk na zes weken van onvoorwaardelijke trouw (van zijn kant, AM), dat de boodschap gewoon niet tot me wilde doordringen.’ En dan volgt er een schitterend, pagina’s lang stuk waarin White Gos eerst nog in de bomen ziet en tevergeefs probeert hem in de stromende regen naar zich toe te lokken, en nog uren en uren zoekt en roept. ‘Er volgden twee dagen van ontreddering […] terwijl ik tegelijkertijd de omgeving afspeurde. Ik sliep weinig maar liep des te meer.’ Gos is nog in de buurt, bestrijkt een gebied van vijftien kilometer, weet White, en soms ziet hij hem tamelijk dichtbij. ‘Het gaf me een heel speciaal gevoel als ik hem zijn majestueuze cirkels zag draaien, een gevoel dat ik nooit eerder had gehad bij een wild dier […] Hij leek me heel gelukkig.’

Geen mens meer
Macdonald gaat zich in haar psychisch ontredderde staat steeds meer met Mabel identificeren. ‘Pas wanneer mijn blik zich vereenzelvigde met die van de havik begreep ik het waarom ervan […] Met de havik jagen voerde me naar de grenzen van het mens-zijn. Vervolgens overschreed ik ze, naar ergens waar ik helemaal geen mens meer was. […] Soms droom ik dat ik in bomen klim die splijten en omvallen, of dat ik in een piepkleine zeilboot zit die kapseist op een bevroren zee. […] Ik weet inmiddels wel dat ik niets en niemand meer vertrouw.’ Tot die conclusie gekomen en steeds verder verwijderd van een sociaal leven met werk en menselijke communicatie, wendt ze zich tot de huisarts en begint antidepressiva te slikken.

Het boek
White gaf het plan om een boek over zijn havikierspogingen te schrijven op. Hij had gefaald en verwachtte dat echte valkeniers zijn belevenissen met Gos alleen zouden minachten. Pas vijftien jaar later, toen hij wel een ervaren valkenier was geworden, kon hij zijn aantekeningen in de juiste proporties plaatsen en maakte hij er een boek van dat voor een groter publiek was bestemd.

In 1936, als hij Gos verloren heeft, schrijft hij: ‘De deerniswekkende constructies, de rekken, het slot op de deur, de reserveschoentjes, als ik er maar naar keek werd ik innerlijk verscheurd.’ Ook hij identificeerde zich met het wilde dier in de hoop op een bondgenootschap. ‘Ik was zelf half vogel geworden en had al mijn liefde en aandacht en huishoudgeld in zijn toekomst geïnvesteerd…’ Later begreep hij dat hij het zeeg maken van de havik te veel had gezien als een strijd tussen twee machten, dat hij een gevecht was aangegaan waar hij een meester had moeten zijn.

‘Een havik is geen huisdier,’ schrijft hij in 1951. ‘Je moet er dus ook niet sentimenteel over doen. Je verlangt geen blijken van aanhankelijkheid, dwingt geen ontzag of dankbaarheid af. Het is een balsem voor de verborgen wreedheid van de menselijke ziel.’ Geen blijken van aanhankelijkheid, verborgen wreedheid van de menselijke ziel… zo voelde White het, een erfenis van zijn hardvochtige ouders die hij dan doorziet en onder controle heeft.

Eruditie en zelfspot
Het zijn allebei prachtige boeken, waarin ook een stadse lezer de schoonheid en de kracht van de natuur ervaart en zelfs de hang naar verbondenheid ermee. Daartoe behoort ook de pijn van de dood en van de wreedheid die leven heet. White en Macdonald hebben dat goed begrepen. De schoonheid van de boeken zit niet alleen in wát de auteurs vertellen maar ook in het hoe. De erudiete Macdonald beschrijft allerlei zijweggetjes zoals het vliegtuigspotten van haar vader, met details, namen en feiten. Die kennis toont ze ook wanneer ze het over planten en dieren heeft. De vermaarde White uit zich in soms droogkomische opmerkingen en zelfspot: ‘Hoe het kan dat alles de volgende ochtend niet in een drama eindigde, is niet te bevatten. Ik was een slecht mens en een alcoholist en ik kon alleen maar concluderen dat God zulke mensen gewoon hun gang liet gaan.’ En als hij de los vliegende Gos roept: ‘ Ik stelde hem ervan op de hoogte dat de Heer mijn Herder was…’ (De psalm De Heer is mijn Herder fluit White als herkenningsmelodietje voor Gos als hij hem op zijn vuist wil hebben.)

Deze boeken lezen is puur genieten van verhaal en stijl.

 

De H is van havik
Helen Macdonald
Vertaling door: Joris Vermeulen, Nico Groen
Verschenen bij: Uitgeverij De Bezige Bij
ISBN: 9789023492412
336 pagina's
Prijs: € 19,90

Meer van Anky Mulders:

4 oktober 2017

Overval op de westerse mens

Over 'De ontscheping' van Jean Raspail
21 september 2017

Waar het surrealisme binnen dendert

Over 'Duizend vaders' van Nhung Dam
6 juni 2017

Een literaire betovering

Over 'Het uur van de ster' van Clarice Lispector

Recent

21 november 2017

Reizen in een binnenwereld

Over 'en toen aten we zeehond' van Nicoline Timmer
20 november 2017

Het leven ontwijken

Over 'Kraaien tellen' van Lucas de Waard
17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars

Verwant

4 april 2017

Moord op een huisgenoot

Over 'De huisgenoten' van Helen Macdonald
4 april 2017

Buitenlandcorrespondent

Over 'Onbehagen en beschaving' van Helen Macdonald
4 april 2017

Een man, een vogel

Over 'De havik' van Helen Macdonald