Romeinse koorts

Ik was alleen in mijn zolderkamer met mijn koortsaanvallen. Wanneer de koorts voor een moment geweken was, nam ik de dingen om me heen waar met een klaarheid die ik in het dagelijkse leven ontbeerde. De gordijnen voor het raam, een karaf water naast mijn bed, een drinkglas, een boek; Romeinse koorts van Edith Wharton. Alles lag en stond precies waar het staan en liggen moest,  ik hoefde er niets aan te veranderen. En daar, in dat perfecte beeld, stapte de dokter, die nooit ons huis bezocht, op stevige wandelschoenen mijn zolderkamer binnen.
Hij stak mij zijn hand toe en zei: ‘Ha, Romeinse koorts. Dat heeft mijn vrouw ook. Goed Boek?’, beide woorden met hoofdletters uitsprekend. Ik zei: ‘Het is Meesterlijk’. Omdat ik het een mooie geste vond, opende ik het boek en las hem, slechts met een enkel kuchen onderbroken, de openingszin van het titelverhaal voor:

Twee al wat oudere, maar goed verzorgde Amerikaanse dames liepen van het tafeltje waaraan zij de lunch hadden genoten naar de overkant van het imposante terras van  het Romeinse restaurant, waar ze, leunend op de balustrade, elkaar even aankeken en toen met eenzelfde blik van onbepaalde maar welwillende goedkeuring uitzagen over de uitgestrekte pracht van de Palatijn en het Forum.

‘Hm, hm,’ humde de dokter, ‘prachtige zin,’ waarna hij zich vervolgens afvroeg hoe een blik van ‘onbepaalde maar welwillende goedkeuring’ er uitziet. ‘Ja’, zei ik, ‘dat kunt u zich nu wel afvragen maar het mooiste is om je bij zulke zinnen niets af te vragen. Ze er gewoon te laten zijn.’ ‘Ah, ik zie het al, zei de dokter. Dit is duidelijk een geval van grensvervagende observaties.’ Het duizelde me  en ik liet me achterover in de kussens zakken. De dokter greep mijn koortsige hand en telde mijn polsslag waarna hij vervolgde: ‘Niemand geniet van lange openingszinnen. Ik voor mijzelf, ik houd er wel van. Mijn vrouw ook, vermoed ik, maar in mijn praktijk en kennissenkring ken ik niemand die het heeft op lange zinnen. Het moet tegenwoordig allemaal kort en vooral niets verbloemend zijn. Zodat er aan eigen beeldvorming niets hoeft te worden overgelaten.’ Hij nam Romeinse koorts ter hand en las me op zijn beurt een passage voor,… tot ik door slaap overmand werd.

Ik ontwaakte opnieuw toen Mijn lief binnenkwam met een kommetje yoghurt. Ik vertelde hem over de lange vriendschap tussen twee oudere Amerikaanse dames. Dat ze die hele vriendschap lang een ernstig geheim, ieder voor zich, met zich meegedragen hadden. Dat het verhaal zo Meesterlijk goed in elkaar zat. En dat een lange zin je de tijd geeft om het beeld dat opgebouwd wordt en weer  verandert, waar heden, verleden en toekomst in verborgen zit, in eigen tempo kunt laten ontstaan. En dat de vrouw van de dokter ook Romeinse koorts heeft…. Hij legde een koud washandje op mijn voorhoofd en vroeg: ‘Welke dokter?’

 


Inge Meijer (een pseudoniem) schrijft over boeken als steunpilaren in haar dagelijkse bestaan en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.