Ik zag hoe tijdens een gezellige avond in een zaaltje van het dorpscafé, de oude, knoestige mannen één voor één naar voren werden geroepen. Mannen met grote handen en grove trekken, die van jongs af aan van aanpakken wisten. Vaak nauwelijks tot hun elfde jaar de lagere school bezocht hadden, moesten meewerken op het land, of in de haven, omdat vaders loon ontoereikend was. Ze werden toen direct lid van de vakbond en nu, vijftig, zestig jaar later, kwamen ze hun gouden speldje in ontvangst nemen. Al dan niet met een robijntje naar gelang het aantal jaren van hun lidmaatschap. Zestig jaar geleden waren er geen vrouwen bij die avond in het café, toen was de plaats van de vrouw nog thuis.
De vakbondafgevaardigde sprak de oude mannen toe en wist van iedereen een kleine anekdote op te dissen alvorens het speldje werd opgeprikt. Er werden foto’s gemaakt – de fotograaf fluisterde elk lid opnieuw in het oor dat de foto’s zouden worden thuisgestuurd – en de echtgenotes die trots naast hun mannen stonden, kregen een bos bloemen. 

Eén vakbondslid had zich vrijwillig gemeld om de avond muzikaal af te sluiten. Midden op het podium zat hij achter een synthesizer, als vanzelf klonken de stampende ritmes. Hij zong erbij en zette steevast net iets te laag in waardoor hij aan het eind van het lied onder zijn register zat, alleen nog brommend kon fluisteren. De liedjes kwamen uit de oude doos: Jim Reeves was langs gekomen, het ‘Blonde Greetje uit de polder’ hadden we al meegezongen en ‘Blue Spanish eyes’ kende ik ook wel. Maar hij zong geen ‘rode’ strijdliederen, geen socialistische hymnen of de Internationale, het strijdlied van de arbeidersbeweging dat door Henriette Roland Holst in 1900 vertaald was. ‘Tante Jet’, zoals ze genoemd werd, had zich verwoed ingezet voor het sociaal marxisme. Zo schreef ze: 

‘Over de zwakheid van het verenkelde’

 […]
 zoo doet hij, die zijn machtwoord luid laat rijzen,
 boven den wil van een geheel geslacht,
 vergetend dat gezamentlijke wijzen
 alleen, de schoonheid paren aan de kracht.

 Want koren worden gemak’lijk gedragen
 door ruimten heen, waar ééne stem bezwijkt
 wijl alle stemme’ in kore’ elkander schragen.
 En wie alleen wil zingen, moet niet klagen
 wanneer zijn stem soms onwelluidend blijkt,
 en niet zoo ver, als een koor draagt, kan dragen.’

Net toen ik dacht dat de zanger deze strofen ter harte kon nemen, zette hij het lied van Freddy Quinn, ‘La Paloma’ in. Ineens was ik terug in de keuken van mijn ouderlijk huis en zag mijn ouders samen dansen bij de radio. Het was hun lied, het werd gedraaid op hun 25-jarige bruiloft, en het werd gespeeld toen mijn moeder gecremeerd werd. Ik knipperde met mijn ogen: het moment was voorbij voor ik werkelijk verdrietig kon worden. De zanger had trouwens al ‘The green, green grass of home’ ingezet.

 

Citaat uit: Sonnetten en verzen in terzinen geschreven, (1896).


Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.