12 november 2013

Knoflook en pekel – Josep Maria de Sagarra

Taalacrobatiek

Recensie door Adri Altink

Tot op heden heeft nog niemand zich geroepen gevoeld in Wikipedia een Nederlandstalige pagina te wijden aan de Catalaanse schrijver Josep Maria de Sagarra. Sterker nog: er is niet eens een Engelstalig lemma over hem  Het is niet uitgesloten dat daar verandering in komt.

In ons land verscheen in 2010 een eerste vertaling van zijn Vida privada uit 1932: Privéleven. Het werd door enkele recensenten onthaald als ‘verpletterend’ en een ‘taalfeest’ en maakte in vooralsnog kleine kring diepe indruk.

Twee jaar later kunnen we nu in Nederland kennis maken met Knoflook en pekel. De Sagarra schreef het in 1929, vier jaar eerder dus dan Privéleven. Als we vertaler Frans Oosterholt mogen geloven – en waarom zouden we dat niet doen – is de roman uit 1932 venijniger en directer dan Knoflook en pekel. De directheid zat hem in de genadeloze afrekening met de poppenkast van de toenmalige dictator Primo de Rivera. De dictator is in Knoflook niet aanwezig, maar het onder zijn regering verkommerende Spanje wel degelijk. Dat geldt evenzeer voor het bijtende cynisme, de exuberante stortvloed aan beelden en de taalacrobatiek.

Knoflook en pekel begint in het wegkwijnende vissersdorpje Port de la Selva. De inwoners kunnen er met hun vangsten nauwelijks nog een bestaan overeind houden. In dat dorp beleeft Quimet zijn kinderjaren voor hij door zijn ouders wordt voorbestemd om priester te worden. Hij wil dat zelf niet, maar wil evenmin blijven rondhangen in zijn troosteloze geboorteplaats. Zijn leeftijdgenoten noemen priesterstudent Quimet smalend de ‘preekstoelpoeper’.

Er is voor hem slechts één sprankje hoop: het mooie naaistertje Marí, die méér begerige ogen trekt. Hij wordt tijdens een zomervakantie verliefd op haar. Het lukt hem zelfs lichamelijk contact te maken, haar huid te voelen en te proeven, maar daarbij blijft het vooralsnog. Als Quimet voor zijn studie terug moet naar Girona, een nauwelijks minder troosteloze stad, doet hij dat in de pijnlijke wetenschap dat Pere Ballesta, zijn ‘concurrent’ in de liefde, in Marí’s buurt blijft en haar mee wil tronen naar zijn woonplaats Figueres.

In Girona wordt Quimet door zijn medekamerbewoner Puntí overgehaald om het hoertje Pura te bezoeken om zo zijn dromen over de steeds meer geïdealiseerde Marí te vergeten. Het bezoek, dat zijn seksuele vuurdoop moet worden, wordt een afgang. In dubbel opzicht. Hij is niet in staat seks met haar te hebben, maar bovendien wordt hij bij het verlaten van het bordeel betrapt. Het leidt er, na een gesprek met de rector van het seminarie, toe dat hij van school wordt getrapt. Hij ervaart Girona als een gevangenis en verlangt terug naar Marí, die hij uiteindelijk opzoekt in Figueres. Hij droomt ervan met haar te vluchten naar Frankrijk (haar moeder kwam daar vandaan), waar ze een gelukkig bestaan zullen kunnen opbouwen. Maar in Figueres wacht hem een nieuwe teleurstelling die tot een fatale afloop zal leiden.

Quimet ‘belichaamt’, in de woorden van De Sagarra, ‘een jeugd geprangd door wrok jegens de speklaag van de weelde’. Hij haat zijn ouders en zijn dorp en het seminarie; zijn leven ontrolt zich in een leegheid waaraan hij niet kan ontsnappen.

De onontkoombaarheid van Quimets lot wordt niet alleen verteld als verhaal, maar wordt ook nog eens vervat in een daarmee samenvallend bloemrijk taalgebruik. Of misschien moeten we in dit geval zeggen: een visrijk taalgebruik. Dat ervaren we bijvoorbeeld prachtig als De Sagarra in het gesprek weergeeft dat Quimet na zijn hoerenbezoek heeft met de rector. In de wachtkamer hebben de muren ‘de kleur van stokvis met aardappelen’. Quimet mijmert er over zijn seminarietijd, over ‘de kapel met het doffe en wazige licht met de kleur van gekookte aal’, over hoe in de studiezaal ‘de kou via je benen omhoog kruipt en zich als een onzichtbare octopus vasthecht aan je kont en je rug’. Tot de rector binnenkomt met zijn ‘wangen als eieren van een ombervis’.

Het is duidelijk wat voor referentiekader Quimet heeft.

In de roman wemelt het van dit soort, alle zintuigen prikkelende beelden. Zoals in de beschrijving van de festiviteiten ter ere van Sint Narcissus in Girona:

Tijdens de jaarfeesten komen alle slaapkamerdrama’s aan de oppervlakte, ze zijn de azijn die overal vloeit, op de wangen van de leeggelopen bureaucraten, op de snorren van de stinkende obers in het café en op de stinkende heken die zich in de staart bijten op de schalen in de pensions. Het is allemaal gepaneerd met een soort zaagsel van doodskisten, alles ademt een ongeneeslijke seksuele treurigheid uit.

Bij De Sagarra krijgt de wat afgesleten uitdrukking dat iets ‘in geuren en kleuren’ verteld wordt een geheel nieuwe betekenis. Knoflook en pekel is een barok en hallucinerend boek.

 

Knoflook en pekel

Auteur: Josep Maria de Sagarra
Vertaald door: Frans Oosterholt
Verschenen bij:  Menken Kasander & Wigman Uitgevers (2013)
Oorspronkelijke titel: All i salobre (1929)
Aantal pagina’s: 215
Prijs: € 22,50

Knoflook en pekel
Josep Maria de Sagarra
ISBN: 9789491495199

Meer van Adri Altink:

11 oktober 2017

De stijl tekent de man

Over 'Mijn grote appartement' van Christian Oster
27 september 2017

De mens moet geen god willen zijn

Over 'Aan een onbekende god' van John Steinbeck
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník

Recent

20 oktober 2017

Soepel een licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 oktober 2017

‘Een luchtig sprookje’

Over 'Waterscheerling' van Rascha Peper
17 oktober 2017

Van poldercrimineel tot godfather in Frankrijk

Over 'Ondijk/Punt' van Barry Smit
16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Over 'De Tanimbar-legende' van Aya Zikken
13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Over 'Het intieme vreemde' van Jente Jong

Verwant

12 november 2013

Lastige dilemma's

Over 'Paulina Buxareu' van Josep Maria de Sagarra