Katten in de herhaling

Vorig jaar augustus verscheen Dagboek van een poes van Remco Campert. Een leuk klein hardcover boekje dat het leven van de auteur bekeek door de ogen van de kat. Voorop een huiselijke foto van de kat. Een jaar later verschijnt er een hardcover boekje dat exact even groot is: Poelie de verschrikkelijke van Frans Pointl. Ook bij Pointl een amateurfoto voorop. Het boekje van Pointl telt zo’n veertig pagina’s meer en heeft veel foto’s.
In tegenstelling tot het boekje van Campert is Pointls kattenboekje een gemakzuchtig in elkaar gedraaid ding met voornamelijk materiaal dat al eerder is verschenen in verhalenbundels. Vier van de zes om precies te zijn. De helft van het boekje staat dus al in mijn boekenkast. Blijven twee redelijk sentimentele verhalen over die beide de strekking hebben dat je beter een kat kunt hebben dan een vrouw. Daarna komt nog een afdeling gedichten. Volgens de aantekeningen eronder komt het merendeel daarvan uit de dagboeken van Pointl. De meesten konden beter in het dagboek blijven. Maar de gedichten die los van het dagboek zijn geschreven, blijven ook wat prozaïsch. Zo luidt de laatste strofe van het gedicht ‘Klotewijf’:

ik stond op
pakte mijn jas
en zei:
‘ik zorg liever voor tien katten
Dan voor één lastig en dom oud wijf.’

Er is vast een markt voor dit soort restantpartijen tweederangs literatuur en kattenliefhebbers zullen veel plezier beleven aan de foto’s van de katten, maar als Pointl een paar nieuwe verhalen geschreven had die dezelfde kwaliteit zouden hebben als het nu herdrukte verhaal waarin de oorlog een rol speelt (‘Het goudgroene oog’), dan zou ik pas echt blij zijn geweest.

Coen Peppelenbos

Frans Pointl: Poelie de verschrikkelijke. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 108 blz. €9,90.

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

17 november 2009

Zoektocht naar zijn verleden levert charmant boek op

Recensie door Rein Swart

De intrigerende roman ‘Austerlitz’ van W.G. Sebald uit 2003 begint met een bezoek van de ik-figuur, een alter ego van de schrijver, aan de Zoo in Antwerpen in de tweede helft van de jaren zestig. De uilen die hij daar ziet doen hem denken aan de vorsende blikken ‘zoals je die wel aantreft bij bepaalde schilders en filosofen, die door middel van de zuivere waarneming en het zuivere denken trachten door te dringen in de duisternis die ons omringt.’ Daarna ontmoet hij, heel en passant, de mysterieuze Austerlitz in de wachtkamer van het station, die zeer geïnteresseerd blijkt te zijn in de architecturale waarde van het gebouw.

Lees meer