27 oktober 2016

Kansen en onmogelijkheden

Rob van Dam

Vallende kastanjes en overal eikels en beukenootjes, op de grond en aan de bomen. Voor het vierde jaar in successie beleven de Nederlandse beuken en eiken een ‘mastjaar’: overvloedige productie van zaad. Normaal schijnt dat om het jaar te gebeuren. Goed nieuws voor de Vlaamse Gaaien in mijn tuin en voor de wilde zwijnen.
Herfst in Thijsse’s Hof, de ‘Planten- en vogeltuin in het Bloemendaalsche Bosch’, zoals het parkje zichzelf noemt. Aandoenlijke groepjes kleine kinderen gaan rond, om opdrachten te doen. Er is een heel parcours voor hen uitgezet. Ze krijgen ‘biologieles in de geest van Thijsse’, de geluksvogels.

Vroeger was ik vooral van de vogels, maar ik richt me de laatste tijd op de plantenwereld. Of hebben de vogels míj verlaten en raak ik verstrikt in de opdringende vegetatie? Ja, hoe ontspruiten je voorkeuren, waarin vinden je interesses hun grond?
Ik kan nog geen esdoorn van een iep onderscheiden, geen boerenwormkruid van kamille. In Thijsse’s Hof zetten ze naambordjes bij de planten en dat scheelt me een hoop geblader in de flora.
Ergens staat een grote loep opgesteld. Ik werp er een blik door en zie zaadjes als spinnetjes, als pissebedden, als exotisch fruit. De oneindige variëteit van de vormen van de natuur! Ernst Haeckel schreef er Kunstformen der Natur over, dat zijn sporen naliet in de decoratieve kunsten van rond 1900, zoals onder meer te zien is in het Scheepvaarthuis in Amsterdam.

Zaden. Net als met stuifmeelkorrels maakt iedere plantensoort er zijn eigen kunstwerkjes van, en die bevatten dan ook nog eens een wonder aan levenskracht en software. Zaden van enkele duizenden jaren oud zijn tot ontkieming gebracht en een korreltje kleiner dan zand, soms zo fijn als stof, draagt van een glorieuze plant de blauwdruk in zich. Sta daar eens bij stil, de volgende keer dat u in een maanzaadbroodje hapt.

In het gedicht ‘Snow’ zegt Louis Macneice:

World is crazier and more of it than we think,
Incorrigibly plural. I peel and portion
A tangerine and spit the pips and feel
The drunkenness of things being various.

Zo’n uitgespuugde pit draagt in beginsel een boom in zich. Elke soort uniek, elk exemplaar eveneens: ‘incorrigibly plural’.

Bij J. C. van Schagen vinden we die pitten ook:

ik sta pitten van een bordje te schrapen
boven het vuilnisvat
het is nog heel vroeg
een zuivere morgen
en dan komen er tranen
van een volkomen geluk

Het nietige tegenover het kosmische, en dan het besef dat het kosmische in het nietige besloten ligt – wie zou er níet tranen van in de ogen krijgen? Vreemd, hoe het raadselachtige en wonderbaarlijke vaak tot ons komen in de vorm van schoonheid.

Ook van Leopold bestaat een gedicht over zaad en vrucht, in dit geval de appel en de pit:

Gerimpelde reinette, pippeling,
geprezen roem der voorraadschuren (…)

Met deze klaroenstoot begint het, en aan het eind komen de pitten, die de toekomst in zich dragen, een toekomst die, geheel in overeenstemming met de evolutieleer, zowel gedetermineerd is als vrijheid biedt:

met de kastanjehouten pitten
opvolgend lot en nieuwe kansen.

Eigenlijk zijn die kinderen in Thijsse’s Hof ook een soort zaailingen, nog maar pas ontsproten aan het zaad (nee, heren, wat u zaad noemt is sperma en dat is heel wat anders). Ook zij zijn dragers van ‘opvolgend lot en nieuwe kansen’. Hoe zullen ze zich ontwikkelen, wat zal er uit hen groeien? Zal de liefde voor de natuur die nu op hen wordt geënt, aanslaan? Zal het natuuronderricht vrucht dragen?
Opvoeding en onderwijs hebben zich vanouds gespiegeld aan de tuinbouw. Onze taal, denk ook aan woorden als seminarium en kweekschool, getuigt daarvan. De mens als gewas, onderhevig aan de seizoenen en niet in staat vrucht te dragen voordat de tijd rijp is en dan nog uitsluitend de eígen vrucht. Niet voor niets gaf Multatuli zijn Ideeën als motto mee ‘Een zaaier ging uit om te zaaien’, wat hij trouwens weer had uit de parabel in Mattheüs 13.

De vogels heb ik niet helemaal achter me gelaten. Laatst zag ik een foto van een kolibrienest met twee jongen erin. Naast het nest hield iemand een dollarmunt omhoog: nest en geldstuk waren even groot. De eitjes van deze vogels waren, zo luidde het bijschrift, ‘niet groter dan een tic-tac’. Je zou ervan uit je dak gaan, zoals Felix Timmermans’ held Pallieter telkens opnieuw overkomt als hij de natuur in trekt. De ‘drunkenness’ van Macneice.

Hier past een tegenstem. De pitten van Van Schagen belanden in de vuilnisbak en Leopold spreekt over een mogelijkheid, niet over wat er feitelijk gebeurt nadat zijn hospita de tafel heeft afgeruimd. En de eikels en beukenootjes in Thijsse’s Hof kraakte ik met wellust plat onder mijn schoenen. Niks ‘nieuwe kansen’, moeder natuur is spilziek gelijk Onan. Wat zal er van die kinderen worden?

De Amerikaanse dichter A. R.  Ammons schrijft in ‘Garbage’:

what are we to think of the waste, though: the
sugarmaple seeds on the blacktop are so dense,
the seedheads crushed by tires, the wings stuck
wet, they hold the rains, so there’s no walkway
dry: so many seeds, and not one will make a
tree, excuse the expression: what of so much
possibility, all impossibility (…)

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer