Joseph Roth en de wachtkamer

‘Wie leest, doet geen kwaad’, of, ‘elke dag zonder lach is een verloren dag’. Oneliners van mijn vader. Daar moest ik aan denken toen ik in de wachtkamer van de afdeling dagbehandeling in het ziekenhuis zat. Wachtend op mijn kleine vriendin die een ingreep moest ondergaan, (waar ik het verder niet over kan hebben want dat wil zij niet), maar waarvoor ze wel onder volledige narcose moest. Voor ik de deur uitging, pakte ik nog snel het boek Job, het verhaal van een simpel man, van Joseph Roth uit de kast. Om het wachten wat te helpen. Het was een komen en gaan in de wachtkamer. Mensen namen plaats, waarna ze om beurt werden opgehaald en gehuld in en lichtblauw operatiehesje in een bed op wieltjes plaatsnamen en richting OK gingen. Er kwam een door de zon gebruind en gelooid echtpaar met vriendelijke gezichten en grijze krullen de wachtkamer binnen. Het leek of ze hun verblijf in een van de zuidelijk gelegen pensionado gebieden even hadden onderbroken voor een opname op de dagbehandeling in eigen land. De gebruinde vrouw nam plaats en wilde het duidelijk wél over haar ingreep hebben. Net als de anderen die in de dagbehandelingswachtkamer zaten.

Alleen mijn kleine vriendin niet. En dat prees ik in haar. De gebruinde man roffelende met zijn vingers op de leuningen van zijn stoel terwijl hij de ruimte met weidse blik rond keek. Zijn vrouw merkte met een schok dat ze de tijd vergeten was en of hij die bij zich had. De gebruinde man roffelde: ‘Waar geen tijd is, is geen haast.’
Ik moest aan mijn vader denken. Hij kon een rappe versie van De Radetzkymars van Johan Strauss met zijn vingers roffelen: tadadam tadadam tadadamtamtam… Zijn neiging tot vingertrommelen was verworden tot een hardnekkig deuntje dat hij niet meer uit zijn vingers kreeg. Die andere Radetzkymarsch van Joseph Roth uit zijn boekenkast was sinds een jaar of tien in mijn bezit. Mijn vader was een stille man die een met zijn boeken was.

In de roman Job, het verhaal van een simpel man wordt Mendel Singer voortdurend door zijn vrouw op zijn kop gezeten. De liefde tussen hen was zo koud als de winters in die tijd. Mendel verliest alles, zijn vrouw en zijn vier kinderen. Leven in een wereld waarin wat je deed, nooit genoeg was. Mijn vader had het tenminste goed voor elkaar door aan een boekenkast te bouwen waarachter hij zich verschuilen kon.
Een verpleger kwam me halen om mijn kleine vriendin van OK op te halen. Ik stopte Job in mijn tas en liep door de klapdeuren die de steriele ruimte binnen waar mijn kleine vriendin wachtte. Toen ze me zag aankomen, vertrok haar gezicht tot een smartelijk huilen. Waarna ze prompt begon te lachen, te lachen… zo blij was ze mij te zien, en dat het voorbij was. Ook deze dag had ze weer gewonnen.

 


Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

Meer van Inge Meijer: