Je moet je eigen verhaal serieus nemen en jezelf niet

Interview door Ingrid van der Graaf

 

In april van dit jaar debuteerde Vincent Merjenberg (1983) met de roman De grijzen, waarin hij op afgepaste toon het verhaal vertelt van onder de grond gevonden lichamen, graven die steeds maar weer opduiken. Er zijn de vluchtelingen die onderduiken of zich voortbewegen door een schimmige, mystiek aandoende stad, er is de jonge journaliste Lena die bij een krant wordt aangenomen om onderzoek te doen naar die gevonden lichamen. En er zit een boek in het boek, een soort sprookje van een fictieve schrijver die zich langs de randen van het verhaal begeeft. De grijzen is een knap geconstrueerde roman die de lezer uitdaagt verder te kijken dan wat er zo op het oog wordt aangenomen. 

Op een zonnige dinsdagmiddag spreek ik Vincent Merjenberg bij hem thuis in de  Kinkerbuurt in Amsterdam over zijn boek. Hoe het is om te debuteren nadat je vier jaar aan een boek hebt gewerkt. Merjenberg studeerde Nederlands en werkte jaren bij een uitgeverij. Tot het begon te kriebelen, er moest iets anders gebeuren. Hij wilde schrijver worden, fulltime, en besloot er een jaar voor uit trekken om te kijken of het lukte. Hij begon met korte verhalen te schrijven, en een reeks columns voor Literair Nederland. Zijn eerste verhaal werd gelijk gepubliceerd in De Gids. 

 

Had je voor je besloot te gaan schrijven al eens wat geschreven?

‘Nee, eigenlijk niet. Dus toen ik begon met schrijven, heb ik me een bereikbaar doel gesteld: een kort verhaal. Dat heb ik opgestuurd naar De Gids waarin het gepubliceerd werd. Toen dacht ik, als dit lukt ga ik verder. Toen heb ik nog wat verhalen geschreven, tot ik aan deze roman begon. Ik ben nogal fanatiek aangelegd, dus het is algauw alles of niets. Ik zag dan ook niet zo gauw hoe ik het schrijven naast een baan zou doen.’

Om te schrijven wordt er tijd gereserveerd, in de ochtend moet er minstens vier uur achtereen gewerkt worden. Maar er is ook een kind, en een partner die onregelmatig werkt waardoor het schrijfschema nog wel eens afwijkt. 


Heb je er al die vier jaar steeds aan door geschreven?

‘Toen mijn zoontje geboren werd, heeft het een maand of drie, vier stilgelegen.  De eerste twee jaar heb ik het hele verhaal  zo’n beetje lineair geschreven. De tweede helft van de tijd was ik vooral bezig met schrappen en herschrijven. Soms schreef ik een week niet, maar in mijn hoofd bleef ik er wel mee bezig’


De roman begint met de vondsten van al die lichamen onder de grond, hoe kwam je op het idee?

Een paar jaar geleden las ik een krantenartikel over een vrachtwagen op weg van Griekenland naar Duitsland. Die vrachtwagen werd langs de snelweg aangetroffen vol dode lichamen van mannen, vrouwen en kinderen. Later zijn er opnames gevonden van telefoongesprekken tussen de chauffeur en zijn opdrachtgever. Dat de mensen in de vrachtruimte aan het stikken waren. De chauffeur werd aangeraden de vrachtwagen achter te laten langs de weg. Het is een afschuwelijk verhaal, maar het intrigeerde me ontzettend.’


Waarom raakt je dat?

‘Ik denk dat ik wil begrijpen hoe mensen ertoe in staat zijn hun moraal opzij te zetten en op zo’n kwaadaardige manier misbruik maken van de wanhoop van anderen. Wat beweegt hen daartoe? Daar gaat mijn boek over. Ik merk dat mijn aandacht bij gruwelen, zoals misdaden in de Tweede Wereldoorlog, uitgaat naar de daders. Hoe komen mensen tot zulke dingen. Ik geloof niet dat het allemaal psychopaten zijn. Het zijn mannen zoals ik. Ik geloof en ben bang dat iedereen onder bepaalde omstandigheden overal toe in staat is. Wat mij interesseerde was dat deze mensen zoveel moeite doen om hun smokkelwaar naar de overkant te brengen. Want je loopt een enorm risico door met zo’n vrachtwagen met mensen door Europa te rijden. Smokkelaars zijn natuurlijk volkomen verknipt, maar toch komen ze hun afspraken na. Daarnaast ben ik ook nieuwsgierig waarom dit me boeit, waarom ik me in daders kan en wil verplaatsen.’


Heb je dit in je boek gebruikt, ben je in de rol van een dader gekropen?

Dat is eigenlijk wat mijn hoofdpersoon, de journaliste Lena doet. Het onderzoek dat zij doet, is ook wel de zoektocht die ik zelf heb gehad bij het schrijven. De zoektocht naar wat ik nou eigenlijk wil vertellen, wat is eigenlijk de waarheid?’

De roman is in korte korte stukken geschreven, er zijn verschillende verhaallijnen die hier en daar in elkaar overlopen, en dan zit er ook dat boek in, van de schrijver Onalov. Die schrijver krijgen we niet echt te zien, daar wordt alleen door anderen over gesproken. Als lezer ga je laag voor laag door het verhaal heen, ontdekt betekenissen die er ingenieus in verwerkt zijn.


Hoe heb je dit er allemaal in aangebracht. Is dat organisch gegaan of werkte je met een schema?

‘Aan het begin had ik wel een plan, ik wist een paar dingen waarmee het begon, een symbolische stad waar vluchtelingen aankomen en weer verder trekken. Een oude man die zich dingen herinnert en een jonge,ambitieuze vrouw die dingen wil weten. En een fictief verhaal waar de waarheid in zit, en dan die lichamen die onder grond zitten. Het zijn dingen die als inspiratie opkomen en daar moet ik het dan mee doen, daar hou ik aan vast.’


Er is weinig decor aangebracht in de roman, was dit opzet?

‘Ik ben er niet aan ontkomen, en eigenlijk ben ik daarmee een beetje overstag gegaan, om mijn personages toch wat karakter mee te geven, wat achtergrond, en aan het einde van het boek de boel weer bij elkaar te trekken. Ik had het misschien nog liever helemaal open gelaten. Het had nog extremer gekund.’

Wie les krijgt in schrijven leert dat je personages kenmerken moet meegeven, iets herkenbaars zodat de lezer zich ermee vereenzelvigen kan. Merjenberg kiest hier duidelijk niet voor, hij laat zijn personages zonder veel omlijning zijn roman binnen. 


Waarom die keuze om veel weg te laten?

‘Denk aan Paul Auster, aan zijn wat meer schematische romans, de New York trilogie bijvoorbeeld. Of hoe hij schrijft over een man op een bed in een kamer. Auster schrijft filosofisch-symbolische romans. Ik wil mezelf niet met hem vergelijken, maar De grijzen is ook vooral een symbolische roman.’ 


Was je eigenlijk tevreden met het eindresultaat van het boek?

‘Nee, helemaal niet. Ik weet wel dat ik dit boek niet beter had kunnen schrijven dan hoe het nu is. In die zin is het perfect. Dit is het en ik sta er helemaal achter. Het is het soort boek dat ik wilde schrijven. In die zin ben ik er wel blij mee. Maar je bent zo lang met zo’n boek bezig, en als ik dan sommige zinnen teruglees! Als ik nu ga bladeren kom ik zo tien dingen tegen waarbij ik denk: “Oh, dat had anders gemoeten”.’


Is het moeilijk afstand te nemen van je eigen werk?

‘Toen het verscheen was het al een hele tijd af, omdat het vanwege Corona wat was uitgesteld. Toen heb ik het nog eens helemaal gelezen en lukte het me aardig het met wat afstand te bekijken. Toch blijf ik het spannend vinden wat anderen ervan vinden. Nu nog, voordat je binnenkwam overvalt het me, denk ik, ‘Oh, ze heeft het gelezen, wat vindt ze ervan?’ Toch een soort schaamte.’

‘Maar die schaamte is eerlijk gezegd een beetje dubbel. Want die mening van buitenaf heb ik wel nodig. Want zelf kan ik niet beoordelen of het wat is. En tegelijkertijd is er, als het verschijnt, een klein stemmetje dat fluistert, “stel je toch eens voor dat het een succes wordt?” Naast de schaamte is er dus ook een soort zelfvertrouwen. De allereerste reactie op het boek was een bespreking van Jan van Mersbergen. Hoe mooi hij het vond. Dan gaat er toch even door me heen, “Stel dat iedereen het zo goed vindt!” In die zin zijn alle reacties, zelfs de positieve, best vermoeiend (lachend).’


D
at het nog aan je blijft trekken?

‘Ja, dat. Over het geheel ben ik trots dat het boek er is. En dan gaat het vooral over het afmaken van een boek. Uiteindelijk is het heel onbevredigend als een boek af is. Er zijn weinig mensen waarmee ik over het boek praat zoals wij dat nu doen. Het is fijn als iemand het boek goed gelezen heeft. Zelfs als iemand niet enthousiast is, zoals in een recensie in Trouw. De recensent noemde het een deels geslaagde “ontheemde, non descripte roman”. Hoewel ik natuurlijk, (lachend) liever had gehad dat daar stond, “Ren nu naar de boekhandel”, was ik er in die zin wel blij mee dat hij op hetzelfde spoor zat als hoe wij het er nu over hebben.’


Heb je er dan wel eens aan getwijfeld of het boek af zou komen?

‘Ja, voortdurend! De eerste twee jaar werd het alleen maar steeds langer en steeds slechter vond ik. Op een gegeven moment ligt er iets voor je, heb je al die ballen in de lucht. Veel dingen hadden nog niet zoveel met elkaar te maken maar je weet gevoelsmatig dat het er allemaal in moet. Dat je dat bij elkaar moet krijgen. Dan denk je opeens, waar ben je nou mee bezig? Dan ga ik aan mezelf twijfelen. Terwijl dat tegelijk een stuwende kracht werd, dat  je je eigen inspiratie serieus moet nemen. Want zo begon het, er komen een paar dingen in me op en daar moet je mee aan het werk. En dan komen die momenten dat je je afvraagt: waarom hou ik daaraan vast? Waarom wil ik Überhaupt een boek schrijven? Zodra dat gebeurt wordt schrijven moeilijk. Dus je moet je eigen verhaal serieus nemen en jezelf niet.’


Werd je geïnspireerd door andere schrijvers om te gaan schrijven, of wilde je gewoon schrijven?

‘Dat laatste eigenlijk. Mijn leven stond heel lang in het teken van boeken. Bij de uitgeverij en ook tijdens mijn studie Nederlands, was het ook wel intimiderend zoveel schrijvers om je heen, zoveel goeie schrijvers. Ik heb nooit genoeg zelfvertrouwen gehad om gewoon te gaan schrijven. Wel gedacht, als ik het ga doen, ga ik het ook helemaal doen, niet zomaar erbij. Ik denk dat ik daarom ook pas relatief laat ben gaan schrijven. Pas een paar jaar geleden had ik er vertrouwen in een boek te kunnen schrijven.’


Hoe begon je aan je eerste verhaal dat werd opgenomen in De Gids?

‘Dat was “Het verhaal”, over een redacteur bij een uitgeverij die een verhaal toegestuurd krijgt dat over hem gaat. Dan heb ik één zin, één gegeven, en dan begint het: Waarom dan, wat voor man is dat dan? Hieruit moet ik een verhaal bij elkaar verzinnen. Als ik het op die manier benader, kom ik er wel uit. Tot nu toe hou ik altijd vast aan dat allereerste gegeven: ik word er nieuwsgierig van, en het beperkt me op de juiste manier. 


Is er een maatschappelijk thema dat je aanzet tot een verhaal?

Het gaat mij echt om het vertaal, en om de manier waarop een verhaal verteld kan worden. Het is meer een zin, een gegeven dat me aanzet tot schrijven, de thema’s uit de echte wereld komen er vanzelf wel bij. Zoals in de vorm van een krantenartikel zoals over die vrachtwagen met vluchtelingen langs de snelweg. Mijn meningen over dit soort dingen komen dan ook weer in het boek. Ik hou van boeken met een gebruiksaanwijzing, niet met een boodschap.’


Het gaat dus niet over vluchtelingenproblematiek?

‘Omdat ik vluchtelingen een rol geef in mijn boek, wordt al gauw gedacht dat het daarover gaat. Maar het gaat mij om het verhaal waar een twist in zit. Ik hou van onbetrouwbare vertellers: wat hebben ze te verbergen? Op een bepaalde manier is het gewone leven een aanzet tot de dingen waarover ik schrijf, maar het is niet een vooropgezet plan.’


In je verhalen en ook in je debuutroman zit een ontregelende ondertoon. In een column (voor LN) schreef je over je zoontje, een baby nog die, als de vader op de crèche komt, was meegenomen door een ander. Dat je die gedachte als jonge vader durft toe te laten?

‘Om een verhaal te schrijven over hoe mooi het vaderschap is, vind ik het interessanter een verhaal te vertellen die de donkere kanten van het ouderschap belichten. Dat ik er wel eens over fantaseer vrouw en zoon achter te laten en heroïneverslaafde te worden in een buitenwijk van Hanoi is inspirerender dan schrijven over hoe schattig mijn zoontje Roodkapje zingt.


Zijn er schrijvers die je tijdens het schrijven inspireren?

‘Alle schrijvers die ik lees, ten goede en ten slechte, zijn waardevol voor me. Tijdens het schrijven lees ik veel. Patrick Modiano bijvoorbeeld, wat hij schrijft lijkt op geen enkele manier op wat ik doe, behalve dat hij ook iets probeert. In zijn boeken gebeurt helemaal niets. Alles wordt met een zwaar melancholische toon vertelt, eigenlijk zijn al zijn boeken een beetje hetzelfde. Een man vindt in een oude jas een adres en gaat daar naartoe en daar herinnert hij zich dat ie daar dertig jaar geleden ook was, dat hij daar een meisje leerde kennen die Debbie heette. Dan gaat hij Debbie zoeken, maar die leeft niet meer, dan is het boek afgelopen. Er gebeurt helemaal niets maar tegelijkertijd zit daar zo’n essentieel levensgevoel in. Je verleden willen vasthouden, alsnog dingen willen begrijpen. Melancholie met een hoofdletter M.
Modiano is een schrijver dat als ik daar een alinea van lees denk: Man, als ik toch ooit eens zo’n volstrekt originele toon zou kunnen vinden!’ 

 

 

Foto: Fjodor Buis


 

 

 

 

 

 

 

Vincent Merjenberg / De grijzen / 332 blz. / Atlas Contact

Recent

16 september 2021

De kracht van fictie

Literair Nederland - 10 jaar geleden

19 september 2011

Recensie door: Laura Schans
Recensie door Laura Schans

Dwaalsporen

Aan de titel is het al af te lezen: dit is een boek over de liefde. De flaptekst verraadt nog iets meer: dit boek gaat over de liefde tussen Melle en Fee. ‘Volgens haar vriend Melle zijn grote liefdes het gevolg van overmacht. Van gemiste treinen, vergeten afspraken en vreemde ongelukjes. Fee gelooft niet in overmacht. Een afspraak is een afspraak, treinen mist ze nooit en ongelukjes overkomen je alleen als je niet goed uitkijkt.’ Laat het duidelijk zijn: dit boek gaat over liefde en over botsende overtuigingen.

Lees meer