27 november 2013

J.H. Donner (1927-1988)

Door Reinder Storm

J.H. Donner (1927-1988)

Op de kop af vijf en twintig jaar geleden, op 27 november 1988, overleed de Nederlandse schaker en schrijver J.H. (Hein) Donner. Hij leidde een onaangepast leven, was slechts zeer kort werkzaam in loondienst en was ook in zijn kwaliteit als schaker grillig, met even opmerkelijke hoogte- als dieptepunten. Donner excelleerde in ruziezoeken, dodelijke beledigingen uitkramen en afwijkende standpunten innemen. Dit merkwaardige gedrag werd waarschijnlijk bepaald door een fundamentele tegendraadsheid die zijn leven (en dat van zijn naasten) soms gecompliceerd maakte.

Voor zover hij ‘bekend’ werd gebeurde dat aanvankelijk door zijn verbluffende successen als schaker en – in mindere mate – doordat hij de ‘aartsvriend’ was van Harry Mulisch. Aan deze laatste wijdde hij ook enkele publicaties. Mulisch modelleerde Onno Quist (uit De ontdekking van de hemel) naar Donner. Voorts publiceerde Donner maatschappelijk geëngageerde stukken in diverse dag- en weekbladen, en nam daarbij graag een afwijkend standpunt in. Befaamd was zijn stelling, op het hoogtepunt van de tweede feministische golf, dat vrouwen niet kunnen schaken. En waarom zouden vrouwen niet kunnen schaken? Donner noemde ze sterker en slimmer dan mannen. Maar mannen beschikken over meer intuïtie en daarom kunnen ze beter schaken. Donners belangrijkste opstellen over het schaken zijn in 1987 gebundeld in De koning. Schaakstukken.  

Omstreeks zijn 56ste werd Donner getroffen door een hersenbloeding. Als gevolg daarvan verbleef hij de laatste jaren van zijn leven in een verpleeghuis en had hij grote moeite met spreken en schrijven. Niettemin slaagde Donner er juist onder die uitzichtloze omstandigheden in zijn meest navrante werk te publiceren. Hij schreef in de weinige jaren die hem restten enige honderden ‘stukjes’ die op zaterdag verschenen in NRC Handelsblad. Vaak betroffen ze het dagelijkse wel en wee van een gehandicapte in een verzorgingstehuis. Ze werden gebundeld in Na mijn dood geschreven (1986), Slecht nieuws voor iedereen (1987), Geen patiënten (1988) en Als schrijver moet je veel lijden (1988).

In februari 1985 schreef hij: ‘Schrijven kan niet meer, maar typen gelukkig wel. Op 23 augustus 1983 werd ik overvallen. […] Mijn voeten willen niet lopen, mijn handen kunnen bijvoorbeeld niet schrijven, zoals gezegd. Mijn ogen zijn scheel, mijn rechteroor is doof en mijn slik- en spraakvermogen zijn aangetast. Maar ik heb geen pijn en ik leef nog. Ik woon hier op de 5de verdieping.’

Aldus laat Donner weinig te raden over omtrent zijn toestand. Juist omdat het schrijven – ook op de machine – hem zo moeilijk afging moest hij uiterste beknoptheid betrachten. En dan nog was hij dagen met een stukje bezig. Dit geeft aan het proza van Donner een grote intensiteit en een sterke lading. Gecombineerd met soms zeer stellige meningen levert dit uniek proza op.

Het stukje ‘Medelijden’ bijvoorbeeld, van 23 juli 1985, begint als volgt: ‘Nee, ik heb geen pijn, maar ik heb een buurman die brult. Ton. Tons woordenschat bestaat uit twee woorden: ‘zuster’ en ‘godverdomme’ zodat hij meestal gelijk heeft […]’. Of: ‘De aantrekkingskracht van koffie op de verpleegkundige stand is verbijsterend.’ Donner zet zich ook met genoegen af tegen de ‘gezonde tweebener’ die het in zijn hulpvaardigheid graag zo goed bedoelt, maar vaak de zieken slechts helpt zoals hij – de ‘g.t.’ – graag wil, en niet zoals goed zou zijn voor de zieke.

Juist in dit opzicht is Donners proza uniek en zou hernieuwde belangstelling voor deze bescheiden maar pregnante stukjes op zijn plaats zijn. Het kijkje in ’t binnenste van het verzorgingshuis is confronterend en even ontluisterend als leerzaam. We bewijzen Donner de grootste eer door – juist nu wij allen steeds ouder worden – daarop nog eens terug te grijpen.

Zie ook de bijdrage van collega-schaker en journalist Alexander Münninghoff in het Biografisch Woordenboek van Nederland.

Recent

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

7 augustus 2017

Een kanjer

4 augustus 2017

Wondranden

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer