Ingefluisterd

Om half acht ‘s morgens zat de bus al helemaal vol met mensen die op tijd op hun werk of op school moesten zijn. De chauffeur had het kwaadaardigste humeur dat ik ooit had meegemaakt. Zelfs op dit vroege uur was hij al aan het schelden en mopperen op de reizigers en schreeuwde hij dat ze moesten gaan zitten – maar er waren geen vrije stoelen meer – en hij liet de bus van links naar rechts slingeren. Toen iemand iets durfde te zeggen over zijn gevaarlijke manier van rijden, zette hij de bus stil en sommeerde de spreker om uit te stappen. Hij reed niet verder voordat dat ook daadwerkelijk gebeurde. 

De bus stopte voor het asielzoekerscentrum, waar een grote menigte klaarstond om in te stappen. Een groepje van vijf, zes vrouwen kon nauwelijks staan, ze moesten zich overal aan vasthouden toen de chauffeur optrok. Een van hen leek zich niet goed te voelen, een prachtige vrouw, lang en tenger, met smalle bruine handen. Haar lange jurk was heel kleurig en haar hoofddoek was op een ingewikkelde manier om haar hoofd geknoopt. Met één hand hield ze zichzelf vast aan een stang en de andere hand had ze op haar buik gelegd, misschien was ze zwanger.

Ik wist haar blik te vangen en nodigde haar met een handgebaar uit om mijn plaats te nemen, maar ze schudde heftig haar hoofd en bewoog haar hand heen en weer in een ontkennend gebaar. De andere vrouwen spraken met haar en schenen haar te overtuigen. Dus stond ik op, maar weer schudde ze haar hoofd en maakte me duidelijk dat ze de stoel wilde delen. Ik schoof zoveel ik kon naar het raam en ze ging naast me zitten. Ze ademde zwaar alsof ze een golf van misselijkheid probeerde te onderdrukken. 

De buschauffeur was vloekend aan een misselijkmakende monoloog begonnen over asielzoekers en buitenlanders, ik was blij dat de vrouw naast me het niet kon verstaan. Veel reizigers humden hun instemming, maar er waren genoeg mensen verontwaardigd over de woorden van de chauffeur. Ze durfden echter alleen maar zachtjes tegen te sputteren uit angst dat ze ook de bus uit moesten. ‘Cowardice asks the question: is it safe?’ zei Martin Luther King. Ik legde mijn arm om de vrouw heen om haar te ondersteunen in de bochten, maar ook als een schild tegen de vijandige woorden. Als ze me verstaan had, zou ik haar als tegengif het gedicht van Waskowsky hebben ingefluisterd:

‘Reisopdracht

 en als je weggaat…

 regen, er dreigt regen,
 storm blaast zand weg
 over de wegen,
 men moet zijn ogen beschermen.
 angstige vogels zwermen
 boven het land.
 de lucht is zwart.

 … zeg langzaam:
 Ik hou van regen.
 Ik hou van storm.
 Ik ben niet bang.

Bij de laatste halte hielp ik de vrouw met uitstappen en bracht haar naar haar vriendinnen die buiten stonden te wachten. Ze keek me aan, glimlachte en gaf mijn hand een klein kneepje dat meer zei dan duizend woorden hadden kunnen doen. 

 

Uit: Riekus Waskowsky, Verzamelde Gedichten, 1985


Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

 

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Hettie Marzak: