Ik laat gebeurtenissen graag nieuwe verbindingen met elkaar aangaan

Interview door Adri Altink

 

Als ik iets te vroeg in de zon voor het atelier van schrijver Emily Kocken sta te wachten komt ze al aanlopen. Er volgt een gesprekje in het Engels met de postbode, heel kort omdat we snel aan de slag willen; daarna moet ze weer door om celloles te geven. ‘Leuke man’, zegt ze over de postbode: ‘Ik neem normaal de tijd om naar zijn verhalen te luisteren.’
We gaan de lange gang in van een grote werkplaats met aan weerszijden kleine afgesloten atelierruimtes en een gemeenschappelijk keukentje. Het gebouw telt drie verdiepingen en biedt onderdak aan tientallen beeldend kunstenaars en schrijvers en enkele architecten. Kocken deelt haar ruimte met collega-kunstenaar Eva Eland. Zelf is ze er op maandag en vrijdag, de collega op de andere werkdagen. De werkruimte is sober ingericht. Ik had verwacht beeldend werk van haar te zien, maar dat is keurig opgeborgen. Kasten, één tafel, een paar stoelen. Dat is het. ‘Ik vind het heerlijk om hier te werken. Ik kan me er goed concentreren’, zal ze later zeggen.

Emily Kocken is beeldend kunstenaar, cellist en schrijver. Na acht jaar conservatorium trad ze wel op, maar geeft nu alleen nog celloles. Vanmiddag spreken we uitsluitend over haar literaire werk. Ze zet koffie en pakt de croissants uit die ze heeft meegebracht.
Aan de hand van haar biografische gegevens komen we al snel op het schrijfproject waar ze nu mee bezig is, Adoptica:  ‘Het wordt een boek over adoptie, een mix van essayistiek en persoonlijke verhalen. Hoe het er precies uit gaat zien weet ik nog niet. Aanvankelijk vormde mijn eigen adoptie en die van mijn man, ook geadopteerd, de aanleiding, maar ik weet niet of ik dat er in ga meenemen. Ik voer nu een keer per maand een gesprek met een andere geadopteerde en ik merk dat dat heel goed werkt voor mijn researchproces’.

Emily Kocken werd in 1963 geboren in New York en geadopteerd door Nederlandse ouders die toen nog in Amerika woonden. Haar leven als adoptief kind was niet altijd gelukkig. ‘Die gesprekken hebben in zoverre invloed op mezelf dat ze mijn eigen situatie relativeren’.

 

Adoptica heeft dus met je eigen leven te maken. Geldt dat ook voor je eerdere boeken?

‘In mijn werk zitten altijd wel autobiografische thema’s. Witte vlag, mijn debuut, heeft voor een deel met mijn leven te maken. En in mijn tweede roman De kuur heeft Yves Altman wel iets van mijn vader; voor de verhoudingen binnen die familie Altman heb ik ook uit mijn eigen leven geput. Maar dat biografische is nooit expliciet’.
Al pratend komen we op de aflevering van De Gids uit april 2020 met het thema ‘Pijnlijke woorden’. Daarvoor schreef Kocken het verhaal Je moeder! ‘Ja. Met uitroepteken’, zegt ze lachend. ‘Dat verwees naar een situatie die ik als kind heb meegemaakt op het schoolplein in Brabant waar we woonden. Ik was toen elf. Ik was er fier op dat ik geadopteerd was, maar andere kinderen vielen me erop aan dat ik niet eens echte ouders had. Dat werd een hele scène. Ik denk dat in het schrijven van dat verhaal de kiem ligt van het plan voor Adoptica’.

 

Je bent pas op late leeftijd begonnen met schrijven. Je debuut Witte vlag verscheen toen je vijftig was. Hoe ontdekte je dat je dat wilde?

Witte vlag was in 2013 mijn romandebuut, maar daarvóór publiceerde ik al verhalen in literaire tijdschriften. En schrijven heb ik altijd gedaan, als kind al. Als ik op de middelbare school naar mijn leraar Nederlands had geluisterd, was ik Nederlands gaan studeren. Wie weet hoe het dan gelopen was?’
Er is meteen herkenning. We vertellen elkaar onze herinneringen aan de leraren die ons liefde voor literatuur bijbrachten.
Ik zeg dat ik haar romans gedurfde boeken vind. Ik vind ze prachtig maar op een bepaalde manier behoorlijk complex. ‘Je moet wel bereid zijn precies te lezen en niet gemakzuchtig zijn’, zeg ik. ‘Als kennissen me wel eens vragen of ik ze een goed boek kan adviseren voor een vakantie ben ik niet snel geneigd ze bijvoorbeeld De kuur naar het strand mee te laten nemen’.

Ze reageert tamelijk fel:  ‘Wil je dat niet meer doen! Je doet er schrijver en lezer mee tekort. Als je enthousiast bent draag je toch je enthousiasme over en ga je niet beoordelen of iemand het boek wel aankan. Het is mijn taak als schrijver, maar ook die van jou als recensent, om mensen in contact te brengen met verbeelding en hun wereld te vergroten. Maar je ondergraaft ook jezelf: waarom zou je niet iets aanbevelen dat je zelf goed vindt? Ik ken het wel hoor. Het is een beetje Nederlands. Ik merk dat in mijn beeldend werk ook. Kunstenaars worden in Nederland snel in het defensief gedrongen. Alsof ze moeten verantwoorden dat ze iemand lastig vallen. Bah!’

 

Bepaalde werkwijzen komen in elk van je drie romans voor. Je begint met een 0-de hoofdstuk, aan het slot neem je een verantwoording op en locatie en tijd zijn heel precies bepaald. Witte vlag speelt in 2010 in Amsterdam, De kuur in Amsterdam en Davos in 2014 en Lalalanding in Parijs in 1953. De lezer herkent daardoor veel gebeurtenissen die feitelijk kloppen. Waarom is dat?

‘Ik heb het nodig om zo specifiek en concreet te zijn. De feiten moeten kloppen. Ik lees daarom kranten uit die jaren, bekijk spullen uit die tijd, gebruik plattegronden. Ik moet zelf naar die plekken toe. Ik moet er wandelen en in gebouwen komen die ik in de roman gebruik. In De kuur  bijvoorbeeld speelt het World Economic Forum een rol. Dat gebouw mag je normaal niet in, maar het is me toch gelukt. Ik breng met die controleerbare feiten een basisstructuur aan maar daarbuiten neem ik alle vrijheid. Ik laat gebeurtenissen verbindingen met elkaar aangaan die er in werkelijkheid nooit zijn geweest. Ik speel er mee’.

Soms krijgt ze iets in de schoot geworpen, zoals  een vermelding die ze toevallig vindt op een site die er wat obscuur uitzag; daarop werd geschreven over een verzwegen bombardement door de geallieerden in 1944 op het treinstation van Porte de la Chapelle in Parijs. Daarbij werd de Renaultfabriek die er vlakbij lag verwoest. In Lalalanding maakt ze van de vader van de hoofdfiguur Jean Rodin een arbeider die daardoor zijn werk bij Renault kwijtraakte.
‘Dat bombardement is inderdaad een weggemoffeld feit, maar ik vond het in kranten uit die tijd terug. Het is dus wel degelijk een historisch gegeven. Ik vind het spannend omdat te deconstrueren, uit zijn verband te halen, zodat feit en fictie door elkaar gaan lopen’.

Ze pakt haar laatste boek dat voor ons op tafel ligt in de hand. ‘Ik was afgelopen week in Parijs in verband met een schrijfopdracht; dat was voor het eerst sinds ik er verbleef om aan Lalalanding te werken. Ik heb de buurt weer opgezocht waar het zich afspeelt, nu met het boek in mijn hand’. Ze straalt erbij. ‘Franse vrienden vroegen me waarom er nog geen Franse vertaling is. Ik heb ze uit moeten leggen hoe moeilijk het is om als niet prijswinnende auteur een boek vertaald te krijgen’.

 

In je boeken zijn sommige prominente personages naamgenoten van beroemde kunstenaars. In Witte vlag draagt Henry’s vrouw Elzbieta de achternaam Różewicz net als de Poolse dichter Tadeusz Różewicz en in Lalalanding heeft Jean Rodin dezelfde achternaam als beeldhouwer Auguste Rodin. Waarom doe je dat?

‘Ik vind het leuk om hun werk op een bepaalde manier te laten opduiken in het boek. Het zijn geen toevallige keuzes. Ik hou erg van de poëzie van Tadeusz Różewicz. Sommige zinnen in mijn roman zijn geïnspireerd door zijn werk en de titel ‘Witte vlag’ komt uit een gedicht van hem. Ik heb dat zowel in Nederlandse vertaling als in het Pools opgenomen. Bovendien schrijft Tadeusz Różewicz vaak over een vorm van eenzaamheid die ik ook in Elzbieta heb gestopt.
In Lalalanding kun je in de houding en de beschrijving van de fysiek van Jean beelden van Auguste Rodin herkennen. Ik vind het grappig om daarmee te spelen. Daarnaast heeft het te maken met mijn interesse in namen. Wat zegt zo’n naam? Ik kom daarmee weer op dat spelen met feiten en verbeelding. De naam van de beeldhouwer Rodin roept meteen iets bij je op, maar de Jean Rodin uit de roman komt uit een heel ander milieu. Daardoor ontstaat toch iets spannends’.

 

In De kuur speelt op de achtergrond De Toverberg van Thomas Mann een grote rol en in Witte vlag is dat het werk van Joseph Beuys. Je bewondert beiden, maar hoe de kunstenaar Henry in Witte vlag Beuys probeert te imiteren en hoe Yves in De kuur met Mann loopt te koketteren is bespottelijk. In mijn ogen zijn die Henry en Yves een soort mislukte epigonen die hun eigen leegte maskeren en geen enkele zelfreflectie hebben. Drijf je de spot met die types?

Ze lacht hartelijk: ‘Je herkent die mensen toch wel? Er lopen in onze wereld heel wat van die figuren rond. Kijk alleen maar naar politici, en je vindt ze ook ook onder schrijvers en in de beeldende kunst. Maar ik laat hopelijk tegelijk zien wat het gedrag van die mensen voor effect heeft op anderen. Henry bijvoorbeeld maakt zijn toch intelligente vrouw Elzbieta op die manier behoorlijk kapot. Ik heb helemaal geen feministische roman willen schrijven, maar ik laat op een bepaalde manier wel zien hoe dat gedrag ten opzichte van vrouwen werkt. De voorbeelden liggen in de geschiedenis voor het oprapen en ze zijn er nog steeds’.

 

Ik verbaasde me erover dat Elzbieta die relatie zo lang volhoudt. In haar schoenen staand zou ik Henry al veel eerder het huis uit gebonjourd hebben.

‘Ik zet het natuurlijk wel aan. Het zijn beelden die ik oproep. Het is een creatie van mij. Die moet geloofwaardig zijn. In elk geval geloofwaardig voor mij. Daar mag een lezer anders over denken’.

Dat brengt ons op de dood van André Vérité. In Lalalanding verongelukt die collega van Jean. Hij valt van een balustrade naar beneden. Was het een ongelukkige val? Was het zelfmoord? Zat de baas van Jean, Emmanuel Lumière, erachter? Ik kwam er als lezer niet uit, maar opper dat Lumière de meest verdachte is. ‘Dat is geen rare veronderstelling’, reageert ze. ‘Mijn man dacht meer aan Jean als de killer. Ik laat het ook open. Ik ga het niet uitleggen’.

 

Waar begon een boek als Lalalanding voor jou? Had je eerst de vorm, waarin het spel met letters à la Perec belangrijk is, of was er eerst het verhaal van het Seinemeisje?  

‘Dat weet ik heel concreet. Je weet vast dat ik in 2019 voor de Museumweek het Kunstgeschenk Huh? Aha! Duh heb geschreven. Het gaat over drie studenten die op een ironische manier door een museum lopen. Daarna kwam al vrij snel het zusje van Jean, Odilette, bij me in beeld die in de roman een ingewikkelde, bijna incestueuze, relatie krijgt met haar broer. En al snel daarna zag ik de vader van Jean voor me, de man die in de verwoeste Renaultfabriek gewerkt had, omdat ik iets met het oorlogsverleden  wilde doen zoals ik dat hoorde van mijn adoptievader. De vorm met veel witregels en een poëtische opzet ontstonden toen ik in die tijd Raymond Queneau weer las, één van de leden van OuLiPo (de schrijversgroep waartoe ook Perec behoort). Dat was trouwens nog maar het begin van het schrijfproces; daarna heb ik nog verschillende versies gemaakt’.

 

Hoe ga je om met je twee vakgebieden, schrijven en beeldende kunst? Hou je daar een strikte scheiding tussen aan? Hoe bereik je dat je op elk vlak honderd procent geconcentreerd bent?

‘De periodes waarin ik schrijf of kunst maak liggen niet per se vast, maar ik plan mijn werk wel. De afgelopen maanden heb ik alleen maar geschilderd. Dan heb ik eigenlijk helemaal geen tijd voor zo’n schrijfopdracht waarvoor ik de afgelopen dagen in Parijs was.
Thuis heb ik niet echt een werkkamer om te schrijven. Dat doe ik af en toe ook hier. Daar voel ik me goed bij. Het is niet zo dat ik in mijn hoofd steeds wordt lastig gevallen door ideeën voor beeldend werk als ik hier schrijf of andersom. Het is hier kaal, stil. Er is geen raam naar buiten. Weinig wat me afleidt dus. Ik kan goed plannen en me dan ook aan een planning houden. Het moet ook. Anders gaat het ten koste van wat ik doe. Soms lopen de twee terreinen in elkaar over want Adoptica zal niet alleen uit schrijfwerk bestaan. Ik schilder voor dat project ook. Dat heeft te maken met mijn biologische ouders die allebei ook schilderden’.

 

Lees hier de recensie van Lalalanding.
De verschijning van Adoptica wordt verwacht in 2024.

Foto: Géraldine Jeanjean


 

 

 

 

 

 

 

Recent

21 juni 2022

Nog even geduld

Literair Nederland - 10 jaar geleden

25 juni 2012

Een onvoltooid verhaal
Recensie door Sunny Jansen

Doeschka Meijsing stierf begin 2012 voor zij haar verhalenbundel Het kauwgomkind kon voltooien. In mei 2012 verscheen de bundel met de door haar geselecteerde verhalen postuum. Het kauwgomkind geeft een goede dwarsdoorsnede van Meijsings werk, beginnend met I’ve got a bird that whistles, I’ve got bird that sings, het verhaal waarmee zij in 1969 debuteerde in een literair tijdschrift en eindigend met het onvoltooid gebleven Het kauwgomkind.