IJzingwekkende kou

De oostenwind joeg zaterdagnacht fluitend de sneeuw rond het huis. In de ochtend lagen bergen sneeuw. Er reden geen treinen, auto’s bleven op de plaats waar ze geparkeerd waren. We waren bereid thuis te blijven. Ik zette koffie. Vanaf de bank keek ik met mijn handen om mijn koffiekop naar de witte tuin, door niemand betreden. De winters van vroeger keken mee. Toen sneeuwdagen zich vulden met dromen, idealen, omdat er niets anders te doen was. Als mijn koffie op is leun ik voorover, denk aan een houtvuur. Vraag me af waarom ik in hemelsnaam de kachel heb verkocht. In Russische verhalen is er altijd een houtvuur. Ik denk aan het verhaal Jermolaj en de molenaarsvrouw van Toergenjev. Armina is een vrijgekochte lijfeigene, trouwde met de molenaar. Geen fijne man. Op een koude avond klopt een Russische heer met zijn jager aan bij de molenaar om een slaapplaats. Ze worden geweigerd. Slaan buiten hun kamp op. De jonge molenaarsvrouw komt erbij: ‘Op een omgekeerde tobbe zat de molenaarsvrouw voor het vuur en praatte met mijn jager. Zij steunde de ellebogen op de knieën en hield het hoofd in haar handen. Jermolaj legde spaanders op het vuur.’

Ik vertel Mijn Lief dat de buren nu echt uit elkaar zijn, ik had het op Face book gezien. Dat hij niet meer wilde, is weg gegaan. Hoe moet dat nu met de kinderen zeg ik. De molenaarsvrouw in het verhaal van Toergenjev sprak over de koeien van de buren, er heerst een ziekte. ‘bij vader Iwan zijn beide koeien doodgegaan … De Heer zij genadig!’  Waarna het gesprek stilviel. Ik keek naar de besneeuwde tuin. Naast me ligt de bundel van Lamia Makaddam. Ik moet aangesproken worden, wakker gekust. Door Lamia Makaddam, die over ijzingwekkende kou spreekt, en winters die op elkaar lijken.

‘Om een mij onbekende reden
wil ik jullie over een ijzingwekkende kou
op een winteravond vertellen.
Over het monster van de stilte.
De duisternis hangt als wolken van stof onder het plafond.
Ik raak mijn mond aan en vind mijn lippen niet
en mijn stem lijkt mij verlaten te hebben.
In de diepte slaapt warm geluk.
Van wie is dit litteken?
En wie echoot dit verdriet?

Als ik op een dag poëzie schrijf
is het omdat iemand huilde ver weg
en ik met een vernietigende kracht schreeuwde
omdat de deur de vingers beknelde
van een kind ergens op de wereld.
Dit verdriet is het enige wat ik met jullie kan delen.
Het is wat ik met alle liefde deel. 

Alle winters lijken op elkaar.
Winters die op jou lijken en winters die niet op jou lijken.
Winters die hier of aan de andere kant van de wereld zijn.
Als je vingers trillen, schrijf dan niet op deze plek.
En als het gemis in je hart woont,
dan weet je dat tenminste iets het vult.
Schrijf vanuit de duisternis
die het leven minder wreed maakt.’ 

Buiten sneeuwt het onophoudelijk, wat een mooie dag om Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf te lezen.

 

Uit: Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf / Lamia Makaddam, vertaald door Abdelkader Benali / 68 blz. / Uitgeverij Jurgen Maas


Inge Meijer is een pseudoniem, geeft wekelijks een kijkje in haar boekenkast.

 

 

 

Meer van Inge Meijer: