Binnenkort komt het boek uit: Bede aan de zee van Khaled Hosseini. Hij schreef het naar aanleiding van een beeld dat op ons netvlies staat gebrand: van de driejarige Alan Kurdi, die in september 2015 na een helse boottocht van Kobani naar het Westen dood op een Turks strand aanspoelde. Een foto van hem ging de hele wereld over.
Hosseini verbindt het verhaal van dit ene kind met zijn eigen vlucht uit Afghanistan. Zo werden het twee verhalen. Over dat ene jongetje, over die ene man, die allebei symbool staan voor het universele verhaal van 68.500.000 mensen die op de vlucht slaan. Hosseini heeft op die manier het verhaal, dat verteld moet worden, klein gehouden. Misschien moet dat ook wel, wil je het kunnen vatten.

Hou het klein – dat moeten ook veel componisten na het niet te omvatten drama van de Eerste Wereldoorlog hebben gedacht, toen ze ultiem korte stukken voor kleine bezettingen gingen schrijven als reactie op vooroorlogse, ellenlange en zwaar geïnstrumenteerde, grootse en laatromantische werken voor symfonieorkest. Het grote leed samengebald in minieme bewegingen, waardoor het misschien nog wel indringender overkomt.
Webern was zo’n componist, en hij zou na de Tweede Wereldoorlog ongetwijfeld op die manier verder zijn gegaan, als hij niet voortijdig was gedood – door een kogel uit de loop van een geweer van een geallieerde soldaat, die het oplichten van zijn sigaret voor iets anders aanzag. Zo klein kan het óók zijn.

Terwijl ik de foto van Alan Kurdi weer voor me zie, schiet mij het verpletterende boekje De Poolse vlecht van de in maart jongstleden overleden schrijver J. Ritzerfeld te binnen. Daarin beschrijft hij een bezoek van de pianist Mathias Reber aan een concentratiekamp:

‘Voor de ingang naar een van de vier miljoenengraven knielde ik om een steen op te pakken. Het is goed om uit de voor het gevoelsleven onbevattelijke miljoenenaantallen een enkele steen, die slechts één enkele, jou en mij bekende naam draagt, in de handen te nemen en te herdenken.’

Even verderop heet het:

‘Bezoek het graf van je grootmoeder. Als je het detail niet kunt verdragen, vermiljoenvoudig het dan, dan wordt het historie.’

Het stelt het ons op die manier voor een interessant dilemma. Hoe kan een onbevattelijk drama doordringen tot een nietig mens? Door het klein te  houden (één steen) of juist niet (het te vermiljoenvoudigen)? Een dilemma dat soms alleen door componisten met weinig noten in muziek kan worden gevat of door schrijvers met al even weinig middelen verwoord kan worden. Zelfs een opsomming van de UNCHR wordt dan een ogengedicht dat op je toerolt als een golf:

68,500,000 people.
68,500,000 stories.
68,500,000 dreams.
68,500,000 journeys.
68,500,000 lives uprooted.
68,500,000 missed chances.
68,500,000 longing for home.
68,500,000 unthinkable tragedies.
68,500,000 heads full of memories.
68,500,000 were displaced at the end of 2017.

Of is het water, dat als een muur blijft staan, om een veilige doorgang te creëren?

 


Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Ook bezoekt zij regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.