November is voor de doden. De ochtendmist trekt langzaam op als we de stad uitrijden naar een hospice in de polder. Je kunt daar sterven met uitzicht op nieuwbouwwijken. Een man verwelkomt ons met zijn elleboog. ‘Voor de herdenking?’ Er is koffie, een roomsoesje. In de huiskamer klinken de stemmen van zo’n twintig mensen. Daar zijn alle voorzorgsmaatregelen verdwenen. Mondkapjes hangen aan polsen, geen anderhalve meter. Tussen de mensen herken ik een gezicht van vroeger, een gepensioneerd diëtist. In de afgelopen maanden zijn hier zeventien mensen gestorven. Ook de vriendin van mijn vriendin. Een hospice draait veelal op vrijwilligers en goede wil. Daardoor was ik getuige van de lastige balans tussen afstand en nabijheid. Een vrouw met een door zonnebank en drank getekend gezicht, heet iedereen welkom. Al improviserend vecht ze vanaf het begin tegen haar tranen. Bij het noemen van de overledenen klinken toevoegingen als ‘dat was ook een lieverd’ en ‘och, we zullen haar nooit vergeten’.

Naast haar stond de diëtist met een glas rode wijn in zijn hand. Om zijn emoties onder controle te houden, knipperde hij bij elke naam zenuwachtig met zijn ogen. Een andere vrijwilliger zong een lied en schoot ook vol. Ze beet op haar lippen, schudde haar hoofd terwijl een karaoke-piano op cd nog een halve minuut Droomland afspeelde. Al die tijd vermeed ik naar mijn vriendin te kijken. Haar manier van rouwen is gieren van het lachen – en alles wat nu gebeurde, voedde haar. Een medeplichtige blik zou werken als ventiel. Het ritueel duurde kort. Familie mocht iets op een kaartje schrijven en aan een roos bevestigen. Voor elke overledene werd een waxinelichtje aangestoken, er was een korte één- minuut-stilte en toen, als een opluchting, kwamen uit de keuken bladen vol rode en witte wijn en prosecco. De diëtist verruilde als één van de eersten zijn lege glas voor een vol. Ik vroeg om Spa Rood maar die bleek niet koud te staan. Dan maar water uit de kraan. 

‘Het hoort er helemaal bij,’ fluistert mijn vriendin. ‘Als ik op bezoek kwam, zaten ze bij elkaar in de zusterpost te pimpelen. Elke keer weer.’ Haar vriendin, die best lang in het hospice had doorgebracht, had haar smakelijk verteld over een vrijwilliger die medicatie kwam brengen:
‘Goedenavond, dit zijn uw pillen tegen de diarree.’
‘Diarree? Ik heb helemaal geen diarree.’
‘O.’ Blik op het doosje. ‘Het zijn pillen tegen de pijn.’
‘Maar ik heb geen pijn!’
‘Dan zijn ze ergens anders voor. Wel met water innemen.’

Ik zag er wel een hospiceroman in. Bestaat die al? Een vrouw wacht op haar einde en noteert in een geheim schriftje wat ze meemaakt. ’s Nachts schiet ze soms wakker van het geraas en gerinkel in een glasbak. Poëzie, dat had ik gemist vandaag. Het werkelijke moment van verstilling. Daarom zocht ik toen we terug naar de auto liepen naar Vasalis op mijn telefoon.

‘Sub finem’

En nu nog maar alleen
het lichaam los te laten –
de liefste en de kinderen te laten gaan
alleen nog maar het sterke licht
het rode, zuivere van de late zon
te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.
Het werd, het was, het is gedaan.

 

 


Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.