Hollands Maandblad maart 2011

Recensie door Ingrid van der Graaf

Bastiaan Bommeljé schrijft in een redactioneel stukje hoe hij tijdens het laatste boekenbal werd overvallen door gedachten als: “Achteruitgang is een relatief begrip, eerstejaars studenten weten steeds minder van het bestaan van een ‘lijdend voorwerp’  maar alles over een ‘leidend voorwerp’  en dat elke tijd aan aftakeling, teloorgang of verval onderhevig is.” Uiteindelijk komt Bommeljé bij Lucius Annaeus Seneca (55 V.O.J. en ca.39 N.O.J.) uit. Seneca de oudere was een deskundige op het gebied van ondergang en verval. Je zou hem de aangever van de “vroeger was alles beter” mentaliteit kunnen noemen.

Het essay Geen iPhone, please, wij zijn schrijvers van schrijver Hans Hogenkamp gaat ook hierover: alles is aan vergankelijkheid onderhevig en tegelijkertijd vernieuwt de tijd zich constant. Maar wat je er mee moet? Hogenkamp haalt de discussie aan tussen Jonathan Lethem en Paul Auster uit het literaire maandblad The believer over het probleem, ‘(…) om moderne technische middelen die nu volledig gemeengoed zijn zoals mobiele telefoons en e-mails, in je boeken te verwerken?’. Hoe komt het dat lezers de voorkeur geven aan boeken die gaan over subculturen die onbekend zijn dan over ICT’ers, beleidsambtenaren  en wat zo meer gegrepen is uit het leven van alledag die de saaiheid van het eigen bestaan alleen maar  benadrukt. Tenminste, dat denkt de schrijver – volgens Hogenkamp – die liever over supermarkt of kruidenier schrijft dan AH of Jumbo. Het beestje niet bij de naam noemen en de techniek erbuiten laten om zo het ‘tijdloze’ karakter van de literatuur niet aan te tasten. Anders is het geen literatuur meer. Literatuur gaat over dingen die voorbij gaan maar dan wel verzonnen en in ieder geval niet over het dagelijkse leven (saai). Maar dat vindt Hogenkamp – terecht – onzin. Al deze krampachtige weglatingen uit de letteren bewijst volgens Hogenkamp dat de Nederlandse literatuur zich nog steeds moet afspelen in een tijdloos vacuum dat geheel op verbeelding gebouwd moet zijn. Dit alles is dus een misvatting. Gooi er gerust wat straatrumoer in, vindt Hogenkamp.


Van Leo Vroman op de open bladspiegel –  links in het Nederlands  en rechts in het Engels – het gedicht Verliefde momenten / Moments in love (a rough translation). Waarbij duidelijk is dat Vroman nog immer in het Nederlands schrijft en daarna  naar het Engels vertaalt. Een gedicht over  ” (…) die onverwoestbare samenhang / van het volgende, met het vorige, / zo innig, en zo lang.” Het gedicht begint aldus:

“Ik kan mij in het noodlot schikken / als ik mij concentreer / op de liefde tussen de ogenblikken.” Een mooi gegeven – hoe bedacht je moet zijn op de liefde – die zich verstopt tussen de momenten. Je moet haar willen zien, die liefde. En in de laatste strofe  de sterfelijkheid verwacht:
“Ik was van tevoren / in haar liefde geboren / en zal in haar liefde vergaan.”

Willem van Spronsen – was directeur van het Rosa Spier Huis te Laren en raakte in die hoedanigheid bekend met Marten Toonder – zet met gevoel voor detail in Marten is dood een liefdevol beeld neer van Toonder in zijn laatste levensdagen. In Tirade nr.1 2010  stond van zijn hand De laatste leerling van Marten Toonder. Waarin hij beschrijft hoe Toonder zijn leermeester werd en over de vriendschap die daaruit voortkwam. Een vriendschap die duurde tot aan het sterfbed van Marten Toonder. Ik stel mij zo voor dat Spronsen meer te schrijven heeft over de nadagen van Marten Toonder.

Hugo Brandt Corstius bijdrage In wat er in m’n kop rust is een literair cryptisch spel met klinkers uit namen van schrijvers, dichters en filmers.
“AAA  Zavada: ‘Onze verzoening begon natuurlijk niet met lachen.’ Ha,ha,ha!
AAE Grahame: ‘Wat apen in onze kamers gaan doen is: niet praten.’ Schatkamers!
AAI Amalrik: Arbat zag eruit als een straat in een bezette stad.’ Armzalig!
AAO Carvalho: Als zij stierf in het kraambed zou ik vrij zijn.’ Paradox!”
Heb je er een gelezen wil je ze alle 120 lezen. Een volmaakt taalplezier.

Het kort verhaal van Benjamin Burg Plat du jours is eerder al verschenen in een geschenkuitgave van Podium, samen met het verhaal De laatste sigaret van Stuart Evers. Maar het is zo een goed verhaal dat het met plezier nogmaals te lezen is. Burg schrijft voor de lezer. Zijn zinnen zijn helder en krachtig. Met een stevig ritme stap je door het verhaal waar je aan de hand van de beschrijvingen en kleine details veel te weten komt over personages die verder niet in beeld komen.

Verdere bijdragen van: M.C. Brands – NIOD op de verkeerde weg (Is ‘Genocidestudies’ wel een wetenschap?)
Gedichten van Vicky Francken – Hoe is het mogelijk
Gedichten en vertalingen van L. Th. Lehmann
Iek Hulshoff Pol, die schrijft om niet te vergeten het verhaal Verder, verder.
Marijke Hanegraaf met twee gedichten: Maasbracht en Huissen, zondag 2 mei
Antoine de Kom geeft aan de hand van enkele psychologische spelregels les in opstelling en atitude in het verhaal Zware zaken.
Tekeningen – Rudof Hartman

Hollands Maandblad
Uitgegeven door: Nieuw Amsterdam / Stichting Hollands Maandblad
verschijnt 10 keer p.j. (12 nummers)
Prijs los nummer: 6,50 dubbelnummer 7,50 (juni/juli en augustus/september )
Abonnementen: 65,– (studenten en docenten 48,50)

www.hollandsmaandblad.nl

 

 

Meer van Ingrid van der Graaf:

Een Tirade waardig...

Over 'Tirade 468 en 467' van Redactie o.a. Daan van Doesborgh, Roos van Rijswijk, Anja Sicking.

Recent

19 februari 2018

Spiegels van de tijd

Over 'Klok zonder wijzers' van Carson McCullers
16 februari 2018

Een moeder die van voetbal houdt

Over 'Geen kunst' van Péter Esterházy
14 februari 2018

Gedenkteken in woorden

Over 'Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken' van Arjen Van Veelen
13 februari 2018

Rauwe en niets verhullende gedichten

Over 'Mammie' van Ronelda Kamfer
12 februari 2018

Failliet van het Nederlandse asielbeleid

Over 'Wat we weten' van Arthur Umbgrove