6 november 2016

Steeds hetzelfde boek

Door Marijn Sikken

Er zijn schrijvers op wie ik wacht. Herman Koch, Douglas Coupland: zodra ze met een nieuw boek komen, voelt het alsof ik een beetje jarig ben. Dus toen Worst. Person. Ever enkele jaren geleden in de winkel lag, maakte ik nog net geen vreugdedansje. Een nieuwe Coupland, wat heerlijk! Wild enthousiast nam ik zijn jongste mee naar huis. ’s Avonds, in bed, opende ik het boek. Ik las een hoofdstuk, nog een, zuchtte en legde het weer weg. Wat een teleurstelling. Coupland, die naar mijn idee telkens heerlijke variaties op hetzelfde boek schrijft, verveelde me.

Is het bezwaarlijk wanneer een schrijver steeds hetzelfde boek schrijft? Dat ligt eraan. Schrijvers die steeds hetzelfde verháál vertellen, zij het in een iets andere vorm, zullen zichzelf op zeker moment achterhalen. Interessanter wordt het wanneer een schrijver telkens hetzelfde onderzoek doet. Zo is Toni Morrison altijd bezig met de onderdrukte en achtergestelde mens, maar de wijze waarop zij haar thema’s in haar literatuur behandelt, verschilt – vergelijk bijvoorbeeld Home met Beloved.

Stephen King zou eens hebben gezegd dat hij zijn personages in extreme situaties laat belanden en kijkt hoe ze daarop reageren. Ik kan natuurlijk de juiste quote niet meer vinden, vermoedelijk komt het uit On Writing, maar die gaf ik weg – het enige wat me spijt is dat ik het nog niet opnieuw kocht. De vraag is: schrijft King met deze werkwijze steeds hetzelfde boek? Naar mijn idee niet: vergelijk Carrie met boeken als The Shining en Pet Sematary of The Green Mile, Cujo als je wilt. Het zijn allemaal extreme situaties en er komen veel bovennatuurlijke elementen in voor. Maar waar King in Carrie over anders-zijn en pesten schrijft, over de kracht van ‘nu ga je te ver’, verhaalt The Shining over de gekte van isolatie; Pet Sematary en Cujo gaan ieder op hun eigen manier (onder meer) over ouderschap en het meer dan briljante The Green Mile behandelt goed en kwaad. Ondanks de typische King-elementen zijn de boeken niet zomaar met elkaar te vergelijken.

Marlen Haushofer is ook zo iemand met een hardnekkige onderzoeksvraag. Telkens lijken haar personages, veelal vrouwen, tussen verlies en overleven te zitten – zie De Mansarde, De Wand, Wij doden Stella, lees de verhalen in Ontmoeting met de onbekende, in het bijzonder I’ll be glad when you’re dead. De wereld glijdt uit hun handen of staat op het punt dit te doen, maar de personages zijn niet bij machte er iets tegen te doen. Geen moment denk ik: dit heb je me al eens verteld.

Natuurlijk moet een lezer niet te hard zijn. Als ik het mijn man vergeef dat hij melkchocolade koopt in plaats van puur (hallo?!) dan moet ik Coupland een misser kunnen vergeven. En dus sta ik opnieuw te kirren bij de kast in de boekhandel als ik de bundel Bit Rot zie staan: essays en korte verhalen. Thuis begint het bekende ritueel: in bed, kat en man aan mijn zij, leeslampje aan. Mocht ik Couplands bundel halverwege beu zijn, dan wacht me nog altijd de nieuwe Herman Koch.

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer