Het raadsel, de vrouw

De storm over het boekenweekthema, en de voor de jaarlijkse geschenken gekozen schrijvers, is nog maar net gaan liggen – hoewel iemand die duidelijk niet aan woorden genoeg heeft het nodig vond de CPNB te bekladden – en ik lees Hokwerdas kind van Oek de Jong. Ook ik heb een mening over De moeder, de vrouw. Over vrouwen praten en schrijven, dat is niet aan boekinhoud gebonden, die twee mannen gun ik het van harte, mijn bezwaar zit hem in dat over. Over betekent: niet met. Maar ik wilde geen column schrijven over de boekenweek. Het is ruis, een stoorzender. Intussen bevindt een deel van mijn wezen zich in de romanwereld van Oek de Jong. 

Hokwerda’s kind is goed geschreven – nee, meer dan goed geschreven, de taal is zinderend en sensueel, het verhaal spannend en dan is daar ook nog Amsterdam, dat tot leven komt als een volwaardig personage. Toch hapert er iets, iets weerhoudt me van de volledige overgave zoals ik die het liefst dankzij een verhaal ervaar.
In de biografie op zijn persoonlijke website schrijft Jan Siebelink ‘(…) dat vooral mannelijke auteurs in staat zijn om onuitwisbare vrouwenfiguren te scheppen.’ Hij is allerminst ironisch en vervolgt: ‘Misschien omdat zij meer oog hebben voor het raadsel van de vrouw. Een vrouwelijk auteur wil haar heldin helemaal transparant maken. Een mannelijk auteur zal het raadsel heel willen laten.’

Er is veel over die laatste twee zinnen te zeggen maar vooral over dat raadsel blijft hangen. Telkens wanneer het in Hokwerdas kind over Lins uitpuilende ogen, hoge taille, sterke lichaam en ronde vormen gaat, keer ik bij dat raadsel terug. Dan vraag ik me af of we – lezers van onze tijd, mensen die zich bezighouden met het boekenweekthema en de discussie daaromtrent – deze roman nog zouden ‘pikken’ wanneer hij nu zou zijn verschenen. Is Lin een geloofwaardig, op zichzelf staand vrouwelijk personage of is zij juist een (mannelijke) fantasie: niet zozeer een raadsel, maar eerder een wens? Is haar geschiedenis te plat, het waarom of de oorzaak ervan te rechtlijnig? Dit zijn vragen die ik mijzelf liever niet stel. Ik wil niet gehinderd worden door toetsen uit de werkelijkheid en al helemaal niet door speldenprikjes van andere schrijvers. 

 Later spreek ik een collega-schrijver. Zij, even kwetsbaar als getalenteerd, heeft zich teruggetrokken van de stoorzenders en de ruis. Eindelijk beleeft ze weer plezier aan het schrijven van haar volgende roman. Terwijl ze ruw het verhaal schetst, denk ik aan die eerste scène: Hokwerda die, sarrend, steeds maar weer de kleine Lin het water ingooit. De kracht van het hoofdstuk zit hem in wat er tussen de regels verscholen ligt.
Als ik de roman noem bekent zij nooit boeken te lezen die tegen haar eigen materie schuren. Te veel ruis. Gelijk heeft ze. In de trein naar huis denk ik aan haar woorden en hoe deze schrijver uit een heel donkere bron put. Het is die bron die Oek de Jong zo schitterend tot leven wekt in Hokwerdas Kind. De rest, ja, is ruis. 

 


Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

 

 

 

Meer van Marijn Sikken: