Nut van poëzie

Herkent u dit? Je bent uitgenodigd voor een groot feest, maar kent alleen de gastvrouw en de hele avond heeft er nog niemand iets tegen je gezegd. Of vrienden hebben gevraagd of je naar hun bruiloft komt, maar in de feestvreugde is iedereen vergeten dat jij de enige bent die geen Turks verstaat. Of je zit in een saaie vergadering op een warme middag en je dreigt in slaap te vallen. Of je moet heel lang wachten voordat je ergens aan de beurt bent. Andere mensen pakken dan hun smartphone om hun verlegenheid en verveling tegen te gaan, maar op mijn Nokia kan ik alleen maar Snake Xenzia spelen. En ook al heb ik altijd een boek bij me, ik durf niet zomaar overal te gaan zitten lezen. 

Maar als mij niets meer overblijft, rest nog de poëzie. Ik put bij zulke gelegenheden uit mijn geheugen om de tijd te verdrijven en mijn sociale onhandigheid te maskeren en reciteer in gedachten gedichten die ik op school van buiten moest leren, want dat was vroeger de kern van poëzieonderwijs. Zo trekken de fabels van La Fontaine aan me voorbij en alle vijftien coupletten van het Wilhelmus, de gedichten van Kees Stip en Annie M.G. Schmidt, maar vooral de ‘Gezwinde grijsaard’ van P. C. Hooft uit 1611. 

Gezwinde grijsaard die op wakk’re wieken staag
de dunne lucht doorsnijdt, en zonder zeil te strijken
altijd vaart voor de wind, en ieder na laat kijken,
doodsvijand van de rust, die woelt bij nacht bij daag;

onachterhaalb’re Tijd, wiens hete honger graag
verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken,
en keert en wendt en stort staten en koninkrijken,
voor iedereen te snel: hoe valdie mij zo traag?

Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijf ik met mishagen
de schoorvoetige tijd, en tob de lange dagen
met arbeid avondwaards. Uw afzijn valt te bang

en mijn verlangen kan den Tijdgod niet bewegen,
maar ’t schijnt verlangen daar zijn naam af heeft gekregen,
dat ik de tijd, die ik verkorten wil, verlang.

Mijn geheugen is niet meer zo goed als vroeger en hoewel het sextet een makkie is, blijf ik vaak steken in het octaaf. Ik hoop dat mijn gezicht ondertussen een betrokken en intelligente uitdrukking heeft aangenomen, zodat het niemand zal opvallen dat ik slechts lijfelijk aanwezig ben, maar meestal toont mijn buitenkant het omgekeerde van wat er zich van binnen afspeelt en zie ik eruit alsof ik nog niet tot tien kan tellen. Een vriend van me, behept met dezelfde ongemakkelijkheid in gezelschap, vervoegt in dergelijke situaties altijd de Latijnse onregelmatige werkwoorden, maar daar begin ik niet aan, dan zie ik er waarschijnlijk helemaal uit als een zwakhoofdige Teletubbie. Maar aan het nut van poëzie hoeft wat mij betreft niet getwijfeld te worden.
Dus mocht u me zien in een wachtkamer, voor een stoplicht, of bij een lezing, met mijn mond half open en mijn ogen scheel van de inspanning, wees niet ongerust. U hoeft geen hulp te halen, er is al een grijsaard die mij gezwind bijstaat.

 

 


Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.