23 februari 2017

Het dunne ik

Door Rob van Dam

In A Quiet Passion, een film over de negentiende-eeuwse Amerikaanse dichteres Emily Dickinson – zij van de streepjes – komt een kitscherige scène voor waarin zij zich tot een baby richt met het volgende gedicht:

I’m Nobody! Who are you?
Are you – Nobody – too?
Then there’s a pair of us!
Don’t tell! They’d banish us – you know!

How dreary – to be – Somebody!
How public – like a Frog –
To tell one’s name – the livelong June –
To an admiring Bog!

Peter Verstegen gaat in zijn omvangrijke vertaling van haar gedichten uit van een variant met ‘advertise’ in plaats van ‘banish us’:

‘k Ben Niemand! Wie ben jij?
Ben jij – ook – Niemand? Wel –
Dan zijn we een stel! Maar hou
het stil! Of het wordt doorverteld!

Iemand – te zijn – hoe akelig!
Een junilang – gekwaak –
Als openbare Kikvors – met
De hele Poel als claque!

Ik las de ondertitels mee en er viel me iets op aan de slotregel, ik ben vergeten wat, waardoor opeens tot me doordrong dat ‘admiring’ het woord ‘mire’ bevat, dat ‘moeras’ kan betekenen en ook ‘wegzinken in de modder’ en ‘besmeuren’. Allemaal zeer ter zake.

Emily Dickinson was domweg niet in staat ‘iemand’ te zijn. Althans, dat is het gangbare beeld van de dichteres dat ook deze film laat zien. Enerzijds waren er de beperkingen van samenleving, godsdienst en ouderlijk huis, anderzijds was ze nu eenmaal zo gebakken: veel te afwijkend, veel te eigenzinnig, veel te schuw ook. Amper in staat tot compromissen. Ze kon niet anders. Ontmoetingen met vreemden beperkte ze graag tot brieven en briefjes, ook wanneer de ander zich in het belendende vertrek of huis bevond. Tijdens haar leven publiceerde ze vrijwel niets.

Inmiddels is ze een reuzin in de Amerikaanse literaire canon, een ‘Iemand’ als geen tweede, maar wel op eigen voorwaarden, naar eigen maatstaven. Haar gedichten ogen nog altijd modern, om niet te zeggen vreemd (met al die streepjes en hoofdletters en dat ongebruikelijke vocabulaire) en zijn vaak niet gemakkelijk te doorgronden.

Zou iemand in onze tijd zich er op willen laten voorstaan ‘Niemand’ te zijn? Let wel, Dickinson noemt zich niet ‘a nobody’; dat is een aanduiding van maatschappelijke onbeduidendheid, van gebrek aan status. Nee, kortweg ‘Niemand’, en onmiskenbaar in gunstige zin.

Wij leven in het tijdperk van wat filosoof Harry Kunneman in 2005 het ‘dikke ik’ heeft gedoopt: het autonome individu dat zich de kaas niet van het brood laat eten en meer wil, altijd meer, koste wat het kost. In Dickinsons beeldspraak: een kikker die onophoudelijk ‘ikke-ikke-ikke’ roept en zich onsterfelijk waant terwijl zijn leven toch heus slechts een zomer duurt.

Toevallig (nou ja, ‘toevallig’, een pensionado moet ook z’n tijd maar zien te vullen) zag ik kort daarop een andere film waarin de hoofdpersoon ook al beweert ‘niemand’ te zijn. Het Joods Historisch Museum vertoonde Zelig van Woody Allen, een mengeling van diepzinnigheid, humor en parodie, een meesterlijke mockumentary uit 1983. De hoofdpersoon gaat door het leven als ‘menselijke kameleon’. In gezelschap van mannen verandert hij, zowel geestelijk als lichamelijk, in ieder opzicht in de ander. Hij wordt een Chinees, een rabbi, een psychiater, een Spanjaard, een nazi, een afro-amerikaan – compleet met passende kleding, motoriek, taalgebruik, alles. In het echt – maar wat is ‘echt’  in dit geval? – is hij een joodse man van eenvoudige komaf.

Hij valt in handen van de massamedia en van de medische stand. Zijn psychiater brengt hem onder hypnose en Zelig biecht op wat hem scheelt: ‘I want to be liked.’ En hij voegt er aan toe: ‘I am nobody. I am nothing.’

Het verschil met Dickinson kan niet groter zijn. Bij haar gaat het om het afwijzen van een confectie-identiteit teneinde de eigenheid te beschermen; bij Zelig om het zich radeloos conformeren aan zijn omgeving, als een tweede natuur, teneinde geaccepteerd te worden. ‘Innere Emigration’ in de meest radicale vorm; een allegorie van hét Joodse vraagstuk van de diaspora: wel of niet assimileren.

‘Niemand zijn’ is een oud motief in de literatuur. Odysseus is de cycloop Polyphemus te slim af door hem wijs te maken dat hij ‘Niemand’ heet. Hij steekt hem zijn enige oog uit en de domme reus roept tegen zijn vrienden dat niemand hem z’n oog heeft uitgestoken. Dat zal destijds, rond 800 voor het begin van onze jaartelling, een lachsucces van jewelste hebben opgeleverd. Of neem My Name is Nobody, de spaghettiwestern van Sergio Leone uit 1973.

Blijft de vraag of Dickinsons advies aan de boreling verstandig is. ‘Niemand’ zijn is een onmenselijk zwaar lot. Alleen de mystici, die verlangen ernaar. Meester Eckhart, in zijn preek naar aanleiding van ‘Zalig zijn de armen’: ‘wil de mens waarlijk arm zijn, dan moet hij zo leeg van geschapen wil zijn als hij was toen hij er nog niet was.

Aan de andere kant, het ‘dikke ik’ willen we evenmin. Ik moet er nog eens over nadenken: waar plaats ik mezelf op een schaal van 1 tot 10?

 

 

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

02 juli 2007

Sommige schrijvers debuteren wanneer ze al oud zijn
Recensie door Karel Wasch

In zijn vorige leven was Paul Pennartz (1935-2011) helemaal nog geen schrijver. Toen was Dr. Paul Pennartz bekend als sociaal wetenschapper die in 1999, samen met een vrouwelijke hoogleraar sociologie, een werk in het Engels publiceerde: The Domestic Domain: Chances, choices and strategies of family households. Verder leverde hij een bijdrage aan een bundel verhalen en gedichten van Limburgers, die de provincie literair gezicht hebben gegeven.

Lees meer