1 oktober 2019

Fotosynthese 9 – Het dak op

Door Hans Muiderman

Fotosynthese is een rubriek waarin beeld en tekst een verbinding aangaan. Dit genre werd door Rudy Kousbroek geïnitieerd. Klik op de foto voor een groter formaat. Lees dan de tekst.

Het is geen sneeuw, maar folie om het dak te beschermen tegen lekkages, denk ik. De vrouw staat vaak op het dak in de wijk Manhattan, meestal in de ochtend. Ze oefent een tekst, die ze in haar hand heeft. Het papier verdwijnt bijna in de witte achtergrond. Na een kwartier verandert ze van houding. Ze recht haar rug, aan de beweging van haar armen is te zien dat ze zingt.
Haar buurman had er genoeg van, vermoed ik.  Al die oefeningen met aaa’s, oe’s en eee’s in een appartement met bordkartonnen muren. Je kan het dak op, zal hij gedacht hebben. Ik verblijf ook ik zo’n gebouw. Een kamer van vijf bij vijf met kitchenette, die van de buren grenst aan het hoofdeinde van mijn bed. Elke ochtend om 6.30 uur hoor ik boter sissen in een koekenpan, in het appartement naast mij begint de dag met ham and eggs.

Bijzonder die armgebaren bij het spreken en het zingen. Lichaamsbewegingen en gebaren waren er eerder dan de spraak. Een angstige uitdrukking op het gezicht en met gestrekte arm wijzen naar de rand van het bos was voldoende. Pas later kwam daar de taal bij: pas op, daar is een beer.
‘Waarom zingt mijn vrouw in een koor?’ vraagt Steven Mithen in The singing Neanderthals (2005) zich af. Is zingen en muziek iets van de moderne mens of oeroud? En wat voor geluid maakten de Neanderthalers? Ze zaten toch niet alleen maar te zwijgen of te grommen en te brommen. In zijn onderzoek ontdekte hij dat klanken niet alleen een functionele bedoeling hadden, geef mij dat stuk vlees eens door, maar ook bedoeld zijn om emoties op te wekken en daarmee groepsgenoten aan je te binden. En met die klanken ontstond zingen en muziek om met de goden te communiceren.
Heel veel later, rond de 17e eeuw, meende de Rooms Katholieke kerk dat gesprekken met  God een mannenzaak was. Vrouwen – immers een verleidelijk object – mochten niet meer op het theaterpodium staan, laat staan bij het altaar in de kerk.

De castraatzanger kwam op in die tijd. De man met de borstkas en de longen van een man, maar door de afwezigheid van het hormoon testeron met het strottenhoofd van een vrouw. Gasparo Conti was er zo een. ‘Als hij zingt, houdt iedereen op met ademhalen. Tijdens een optreden in Covent Garden in Londen stopt zelfs het orkest met spelen, zo zeer zijn de musici onder de indruk van zijn kunsten. Een altviolist loopt tenslotte snikkend het podium op om de zanger langdurig te omhelzen. ‘Toen zweeg als laatste het klavecimbel’, lezen we in De virtuoos (1993) van Margriet de Moor, “Het orkest huilde. En het hele publiek huilde ook.”‘

Zijn er veel zangers onder de romanschrijvers? 

Ik vermoed dat de hersenen van een klassieke zanger geheel anders functioneren in vergelijking met die van een romanschrijver zoals bijvoorbeeld A.F.Th. van der Heijden. Die overigens qua uiterlijk wel op een operapodium zou passen. Hersenen die muzikaal getraind zijn kunnen beter luisteren, dat is wel aangetoond. Maar of (roman)schrijvers goede luisteraars zijn – ik zag onlangs een interview met Peter Buwalda – betwijfel ik.

Het komt wél eens voor dat een zanger ruzie met een schrijver krijgt. Zoals in 2013 zanger Peter Koelewijn een rectificatie eiste in de nog onverkochte exemplaren van de roman De helleveeg, een deel van A.F.Th. van der Heijdens romancyclus De Tandeloze Tijd. Zijn familie werd in dat verhaal als een stelletje losers neergezet en zijn moeder beticht van ‘aborteuse praktijken’.

Koelewijn trok aan het kortste eind. Het zou kunnen dat de rechter hem gewezen heeft op het verschil tussen literatuur en werkelijkheid. Ik zie de rechter voor me, hoe hij over zijn leesbril heen in de richting van Koelewijn kijkt en zegt: ‘Meneer Koelewijn, een vraag, toen u schreef aan de tekst ‘Kom van dat dak af’, stond er toen werkelijk iemand op het dak?’

Foto: Hans Muiderman

 

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

17 november 2009

Zoektocht naar zijn verleden levert charmant boek op

Recensie door Rein Swart

De intrigerende roman ‘Austerlitz’ van W.G. Sebald uit 2003 begint met een bezoek van de ik-figuur, een alter ego van de schrijver, aan de Zoo in Antwerpen in de tweede helft van de jaren zestig. De uilen die hij daar ziet doen hem denken aan de vorsende blikken ‘zoals je die wel aantreft bij bepaalde schilders en filosofen, die door middel van de zuivere waarneming en het zuivere denken trachten door te dringen in de duisternis die ons omringt.’ Daarna ontmoet hij, heel en passant, de mysterieuze Austerlitz in de wachtkamer van het station, die zeer geïnteresseerd blijkt te zijn in de architecturale waarde van het gebouw.

Lees meer