Heldere gedachten

Het was een perfecte herfstochtend die ik, heldere gedachten in ‘t hoofd, doorbracht in mijn werkkamer toen de terreur der groenverzorgers inzette. Ik zag hoe beneden in de tuin de kat met drie poten de stam van de plataan omvatte, razendsnel naar boven klauwde, stilhield, oren plat op het kopje, om dan, in een zucht naar beneden te vallen. Die boom, de kat, het zachte licht, de perfecte landing in het gras, het gaf me een verrukkelijk ‘mij kan niets gebeuren’ gevoel. Toen knalde een hels kabaal los. Achter, voor, opzij van het huis ronkte en raasde het. Motorgebrul van heggensnoeiers, grasmaaiers, bladblazers. Ik sloot ramen en deuren om mijn gedachten te blijven horen. Maar die waren verdreven, weg, als een ijslolly die in de hete zon smelt, een plasje wordt op de grond.  

Ik dacht aan Copsford, (wat een heerlijk boek, zinnig, kabbelend, als maak je een wandeling met de schrijver over de velden en wegen van Sussex), waar de schrijver ook met natuurbeknotters te maken kreeg, in 1920. Hij verzamelde kruiden, wist een plek waar het boerenwormkruid welig groeide. Ik liep met hem mee, maar helaas, iemand was hem voor geweest. ‘Nee, geen andere groene man, maar een wegwerker. Hij had de bermen gemaaid. Daar lag al mijn boerenwormkruid, zwart, droog en onbruikbaar na een week in de zon en de regen.’ Oh, dat onnodige ingrijpen, bedacht in een overleg ter ordening van natuur, opgeschoonde bermen. Met terugwerkende kracht voelde ik met deze jongeman mee.

Walter J.C. Murray vluchtte als negentienjarige jongeman na een freelance carrière in de journalistiek in Londen, naar het platteland. Op zoek naar rust en innerlijke waarden. Hij trok in een vervallen huisje, vergeven van de ratten die ’s nacht zijn slaapkamer binnendringen. ‘Ik greep de kleine buks, en terwijl ik de hond luidkeels aanmoedigde en zelf een fandango danste op het bed, trok ik de trekker zo strak aan dat het wapen afging en een kogel zich dwars door het matras heen de vloer in boorde. De ratten raakten van slag, werden helemaal gek, wat zich uitte in een uitzinnige race van minstens tien rondes langs de blokkades, het dak en de vloeren. om uiteindelijk smadelijk hun nederlaag te erkennen en onder de grond te duiken.’ Waarna hij ging slapen.

Er was geen stromend water, hij haalde het uit een poel verderop, bewaarde het in een kan. ‘Ik hoefde niemand een plezier te doen behalve mezelf. Als ik dagenlang op brood met boerenboter en koppen thee leefde, mopperde er niemand en werd er geen kostbaar water verspild aan de afwas.’ Ja, laten we elkaar minder plezieren, brood met boerenboter serveren. Murray werd een ‘groene man’. Bedacht een manier om kruiden te drogen, te verkopen. Van de opbrengst onderhield hij zichzelf, zijn hond.  Hij was er gelukkig, ‘toen geen angst of zorg me bezwaarde, toen me niets kwaads overkwam, toen ik met volle teugen van elk zorgeloos uur genoot,’ werd zijn blik zuiverder, zijn gedachten helderder. Heldere gedachten zoals ik ze zoek, die je op met inkt beschreven vellen te drogen legt. Murray wist honderd jaar geleden al dat we zuinig moeten zijn met onze grondstoffen. Hij schreef een pretentieloos boek, (waarvan er nu zoveel verschijnen) over terug naar de natuur. Dit is een van de besten die ik tot nu toe las.

 

 

Copsford / Walter J.C Murray / vertaling Anne-Marie Vervelde / 253 p. / Uitgeverij Oevers


Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel, zolderkamer), een mening.